2.3. Welke maat fiets moet ik hebben?

Kort door de bocht
Kijk niet naar de maat, maar naar de Stack en Reach.

Waar beginnende fietsers vaak niet op letten en wat bij ervaren fietsers als cruciaal wordt ervaren is de geometrie van je frame. Geen enkel mens is gelijk en de fiets moet bij jouw lichaam passen. Niet ieder frame is geschikt voor je. Een ‘verkeerde’ fiets kan leiden tot slapende handen, slapende voeten, pijn in de knieën, pijn in de schouders en met name pijn in de rug. Een frame heeft een bepaalde verhouding en het is belangrijk dat die verhouding aansluit bij jouw lichaam.

  XSSMMLLXL
ASEAT TUBE LENGTH (INCH)16.917.718.519.320.120.9
BSEAT TUBE ANGLE74.0°73.5°73.5°73.0°73.0°73.0°
CTOP TUBE LENGTH (INCH)20.921.321.722.222.623.2
DHEAD TUBE LENGTH (INCH)4.95.35.96.57.17.7
EHEAD TUBE ANGLE70.5°70.5°70.5°71.0°71.0°71.0°
FFORK RAKE (INCH)222222
GTRAIL (INCH)2.92.92.92.82.82.8
HWHEELBASE (INCH)39.940.240.640.841.241.8
ICHAIN STAY LENGTH (INCH)16.716.716.716.716.716.7
JBOTTOM BRACKET DROP (INCH)2.82.82.82.82.82.8
KSTACK (INCH)21.62222.523.123.724.3
LREACH (INCH)14.714.81515.215.415.8
MSTAND OVER HEIGHT (INCH)28.328.929.630.230.931.6
NHANDLEBAR WIDTH (INCH)16.516.517.317.318.118.1
OSTEM LENGTH (INCH)2.83.13.53.93.93.9
PCRANK LENGTH (INCH)6.76.76.86.86.96.9
QWHEEL SIZE700C700C700C700C700C700C
Geometrie van een Giant Revolt Advanced 0 2020

Toen Madeleine en ik in 1997 onze eerste vakantiefiets kochten, werd er alleen naar de maat gekeken. De maat werd aangegeven met een nummer dat achteraf de lengte van de zitbuis bleek te zijn. In 1997 werden er nog niet veel fietsen gemaakt met een zogenaamd ‘sloping’ frame, waarbij de bovenbuis naar beneden afloopt. Het type frame met een rechte bovenbuis, wordt ook wel een A-frame genoemd. Bij een A-frame kun je de lengte van de zitbuis gebruiken als maat van de fiets. Bij een ‘sloping’ frame niet, aangezien de lengte dan afhankelijk wordt van de hellingshoek van de bovenbuis. Een merk als Giant drukt daarom tegenwoordig zijn framematen uit in T-shirt sizes.

2.3.1.    A-Fame, Sloping frame, of damesframe? 

Kort door de bocht
Sloping

Om met de deur in huis te vallen. Neem nooit een damesframe. Ook niet een sportieve variant daarop met een iets hoger lopende bovenbuis. Het maakt de fiets minder stabiel. Madeleine heeft twee keer een damesmodel gehad. Van de eerste is het frame gewoon gebroken en de tweede is vervangen als vakantiefiets wegens vermeend zwabbergedrag. Het is ook niet nodig. Dames hebben nog wel eens de neiging om af te stappen met aan beide kanten van de fiets een been. Dus met de bovenbuis tussen de benen. Dan is het niet fijn als de bovenbuis hoger is dan je benen lang zijn. Met een goed sloping frame is dat probleem verholpen. Blijft over dat als je gewend bent om op en af te stappen door je been voor het zadel langs te zwaaien, je even moet oefenen op wat meer lenigheid. Wen er maar aan, want een damesframe is echt geen optie voor een vakantiefiets.

Zoals hierboven al aangegeven heeft een sloping frame het voordeel dat je kunt afstappen zonder sterretjes te zien. Aangezien je meestal wat gewicht aan je fiets hebt hangen, is een been aan beide kanten van de fiets voor de stabiliteit aan te raden. Daarnaast zit er achterop nog wel eens wat in de weg als je een been over de achterkant van je fiets heen wilt zwaaien. Dus ook voor mannen raad ik daarom alleen al een sloping frame aan.

Een sloping geometrie maakt een frame compacter en daarmee stijver. Aangezien je bagage meestal direct aan je frame vastzit, helpt dat om een bepakte fiets stabieler te maken. Meer stabiliteit geeft een betere wegligging en dat is bijvoorbeeld bij een afdaling best prettig. Ook al ga je niet als Matej Mohorič naar beneden.

De enige uitzondering is wellicht als je zelf vrij zwaar bent (100+ kg). Dan is het wellicht verstandig om een A-Frame te kiezen. Reden daarvan is dat je met een sloping frame een lange zadelpen krijgt. Als je daar teveel gewicht op laat rusten, wordt de zadelpen instabiel en krijg je ook een zwabberkoers.

Als laatste kun je vaak lastig een zadeltoetertas monteren op een A-Frame. Niet een sterk argument als je gaat biketouren, maar als je een gravel- of racefiets koopt, wel iets om op te letten. Ik heb bijvoorbeeld een Giant Propel racefiets, waarbij het frame maar een beetje sloping is en daar past mijn zadeltoetertas maar net op.

2.3.2.    Welke geometrische cijfers zijn belangrijk?

Kort door de bocht
Stack en Reach

Als je er geen wetenschappelijke studie van wilt maken, wordt er in het algemeen 2 lengtes als maatgevend beschouwd. Dat zijn ‘stack’ en ‘reach’ (zie plaatje en tabel hierboven). De combinatie van deze lengtes geeft een goed idee van de verhoudingen van een frame. Ook zegt het veel over het comfort van de zithouding. Je kunt je voorstellen dat een hele lange ‘reach’ zorgt voor een sportieve houding. Je kunt je misschien ook voorstellen dat als je lange benen en een kort bovenlichaam hebt, dat je een langere ‘stack’ en een kortere ‘reach’ wilt hebben.

Sommige fietsenmakers die je specifieke fiets willen aanmeten, gaan dan ‘rommelen’ met de stuurpen (stem) of het zadel naar voren of naar achteren schuiven. Als je een fietsenmaker dat ziet doen, koop de fiets dan niet. De ‘reach’ + lengte stuurpen wordt ook wel de ‘riders reach’ genoemd. Door de stuurpen te verkorten of te verlengen, verander je de positie van het stuur ten opzichte van het voorwiel. Dat heeft effect op het rijgedrag. De fabrikant heeft hier over nagedacht en het heeft een reden waarom het stuur die specifieke positie heeft. Als je een zadel naar voren of naar achteren schuift, verandert de positie van je heupen en benen ten opzichte van je crank en pedalen. Dat heeft effect op de overbrenging van je kracht op de fiets, maar kan zelfs zere knieën en heupen tot gevolg hebben.

Afbeelding met tekst

Automatisch gegenereerde beschrijving
Zoom verstelbare stuurpen

Als Ronald in een van onze podcasts begint over de ‘zoompen’, dan flip ik meestal. Zoom is eigenlijk een merk, maar met name bekend geworden met hun verstelbare stuurpennen. De reden dat ik flip is omdat 9 van de 10 Zoompen bezitters dat ding maximaal omhoog zetten, zodat het stuur zo’n beetje onder hun oren zit. Mensen ervaren het als prettig, omdat ze dan met hun rug recht zitten. Maar er is een reden waarom fabrikanten meestal fietsen maken waarbij je een ieder licht voorover gebogen zit.

Het belangrijkste argument vind ik het opvangen van de klappen. Als je met een recht rug op je fiets zit, vangt de rug alle klappen van kuilen en hobbels op. Dat leidt op den duur tot blessures. Wel weer leuk voor de fietsonderdelenhandel, want er is opeens een sterke behoefte aan verende zadelpennen en meer comfort verhogende onzin. In een positie waarin je licht voorover gebogen zit, kun je de klappen opvangen met je benen, armen en buikpieren.

Het tweede argument is het overbrengen van je kracht. Dat gaat nu eenmal minder goed als je rechtop zit. Ook dat is weer goed voor de fietshandel, want dan zet je gewoon een accu op je fiets. 

2..3.3.    Moet ik een bikefitting laten doen?

Kort door de bocht
Pas als je wat ervaring hebt met wat langere afstanden fietsen.

Maar hoe kom je er nu achter welk frame het beste bij je past? Het beste antwoord hierop is niet direct leuk. Door schade en schande. Door veel te fietsen en het liefst op verschillende fietsen, krijg je wel door wat bij jou past en wat niet. Maar dat duurt lang en je loopt het risico met een verkeerde fiets te blijven zitten. Ook loop je kans op blessures.

Proefritjes maken helpt wel een beetje, maar tenzij je 100km of meer mag rijden van de fietsenmaker, heeft het ook niet bijster veel zin. Een fiets lenen van iemand met ongeveer dezelfde lengte is wel altijd een goed idee.

De professionele afkortroute voor deze ellende heet ‘bikefitting’. Een vakman met gespecialiseerde apparatuur past jou op een fiets. Je krijgt precies de geometrie door die op jouw lichaam geschreven is. Daar betaal je wel een prijs voor. Een goede bikefitting kost tussen de €200,- en €300,-.

En eerlijk gezegd geeft dat nog geen absolute garantie. Ieder mens is uniek. Ik ken legio verhalen dat fietsers naderhand toch aanpassingen hebben gedaan op de geadviseerde geometrie, omdat het echt niet goed aanvoelde of omdat ze gewoon last van een lichaamsonderdeel kregen. Ook is het wel fijn een beetje ervaring mee te nemen naar de ‘bikefitter’. Hij zal ernaar luisteren en het meenemen in zijn analyse.

2.2. Van welk materiaal moet het frame zijn?

Kort door de bocht
Aluminium

Zoals bij veel van de onderwerpen zijn de meningen verdeeld. En dat terwijl je nu ook weer niet mega veel keus hebt. Het meest voorkomende materiaal bij vakantiefietsen is aluminium. Het is relatief licht en sterk en redelijk stijf. Voordat er alu fietsen waren, was de fiets van staal. Vanuit die hoek wordt de stalen ros geprezen voor zijn surplus aan comfort. Hoewel ik het gevoel voor nostalgie waardeer, is dat naar mijn mening achterhaald.

Net zo achterhaald als een bedrijf als Santos dat zich volledig op aluminium frames toelegt. De techniek staat niet stil, dus je zou ook kunnen overwegen om frames van het lichtere carbon of titanium te maken. Om helemaal compleet te zijn, bestaan er ook frames van magnesium en bamboe. Deze laat ik voor het gemak even buiten beschouwing.

2.2.1. Comfort

Zoals aangegeven zouden stalen frames comfortabeler zijn dan alu of carbon frames. Dat is ongetwijfeld ooit waar geweest, maar ik durf dit nu met gerust hart te betwisten. Ik durf de stelling aan dat een Specialized Diverge carbon comfortabeler is dan een willekeurig stalen frame. Het hangt wel af van hoe de fabrikant omgaat met de karakteristieken van het materiaal. Je kunt het gebruiken voor meer comfort, maar ook voor stijfheid en snelheid. Met andere woorden, het materiaal zegt niet alles over het comfort.

Ik heb zelf een stalen racefiets (Koga Miyata) en een stalen vakantiefiets (Sparta Marathon) gehad en beide apparaten zou ik willen omschrijven als ‘zwabber fietsen’. Het voordeel dat een stalen frame trillingen en hobbels iet minder direct doorgeeft dan een frame van een ander materiaal, wordt onmiddellijk tenietgedaan door het gebrek aan stijfheid. Als helemaal als je er een flink aantal kilo aan bagage aanhangt. 

De autoliefhebber kan het vergelijken met het verschil tussen een Citroën DS en de Aston Martin van Max. En dan weet je ook dat er een heleboel variatie tussenin zit. De Cervélo P5 is te vergelijken met de bolide van Max en de DS moeten we misschien vergelijken met een stalen Beach Cruiser. Met beide fietsen zie ik mezelf niet op vakantie gaan. Maar er zit best wel wat tussenin dat prima geschikt kan zijn, dat comfort en stijfheid combineert, zodat je niet van je fiets aftrilt en ook niet uit de bocht zwabbert.

Aluminium zit in bovengenoemde categorie, maar tegenwoordig heb je ook carbon gravel frames die prima geschikt zijn voor een lichte vakantiefiets. Niet erg geschikt als je 40kg moet meenemen en je zelf ook niet de lichtste bent, maar voor de niet al te zware randonneur een prima optie. Het is wel een beetje voor de grammenjagers en de sportfietsers die van hele stijve frames houden. Het gewichtsverschil van bijvoorbeeld een carbon Trek Checkpoint SL5 en de alu ALR5 variant, is 500 gram. Het verschil in prijs is wel meer dan €1.000,-. Voor beide fietsen geld dat het gewicht van fiets + berijder + bagage maximaal 125kg is. De fiets is 10kg, ik ben 78kg, dus dan kan ik nog 37kg aan bagage en kleding meenemen. Met mijn huidige 21kg aan bagage kan ik dus zinken schoenen en een loden helm opzetten.

Als ik met een pistool op mijn hoofd een keuze zou moeten maken, zou ik kiezen voor aluminium. Dit materiaal heeft zich bewezen in de fietsvakantiewereld, waar carbon nog een beetje de nieuwkomer is. 

Wel wil ik aangeven dat je vraagtekens kunt zetten bij de ‘specialisten’ die zeggen dat carbon frames niet kunnen voor een vakantiefiets. Daarom vraag ik me ook af waarom een fietsenmaker als Santos een heel segment links laat liggen en ogenschijnlijk halsstarrig vasthoudt aan alleen alu.

Ook nogal richtinggevend is dat als ik een gravelfiets van Santos neem (Cross Lite) om te vergelijken met eerder genoemde Trek Checkpoint ALR5 ik niet alleen 2kg meer krijg, maar ook dat de fiets alleen uitgerust kan worden met een Rohloff naaf en dus €5.745,- moet kosten tegen €2.299,- voor de Trek met derailleur. Dan begrijp je direct waarom die Santos rijders zo bang zijn dat hun fiets gejat wordt.

2.2.2. Reparatie

Een argument die een wereldfietser nog wel eens gebruikt om zijn stalen ros te verdedigen, is dat het overal ter wereld gerepareerd kan worden. Lassen kunnen ze namelijk bijna overal. Carbon repareren kan wel, maar is veel lastiger en voor aluminium lassen heb je speciale apparatuur nodig. Het argument wordt weer een beetje ontkracht door het ChroMo staal dat meestal gebruikt wordt bij stalen frames. Dit staal is lichter dan gewoon staal, maar wel weer lastiger te lassen.

2.2.3. Titanium

Titanium heeft als voordeel dat het licht en sterk is. Het nadeel bij dit materiaal is de prijs. Titanium is duur. Daarnaast wordt er – net zoals bij carbon – getwijfeld aan de stijfheid van een titanium frame bij belasting met veel gewicht. Ook is de keuze in titanium frames niet groot. Je moet maar net een frame vinden dat ergonomisch goed bij je past. Maar als gewicht belangrijk voor je is en je beurs het toelaat, is titanium zeker een optie.

2.1. Wat mag een fiets kosten?

Kort door de bocht
Maximaal €2.500,-

Als je voor je eerste vakantiefiets gaat kijken, zou ik hem niet te duur of te specifiek maken. Vuistregel is dat alles wat je meer betaalt dan €2.500,- voor zeer specifieke elementen of voor de merknaam is. Met specifieke elementen bedoel ik zaken als elektrisch schakelen, Rohloff of Pinion  versnellingen en carbon of titanium frames. En ook al heb je €10.000,- in je portemonnaie, dan nog weet je niet of je het ene of juist het andere dure ‘speeltje’ het best bij jou past. Hou je geld nog even op zak en maak eerst 3 grote tochten met een all-round fiets.

Voor de fietsers die 3 lange tochten hebben gemaakt, hoef ik waarschijnlijk niet meer uit te leggen wat belangrijk is. Dat hebben ze zelf al ervaren. Vanuit de ervaring volgt meer een discussie over de nut en noodzaak van ‘specifieke elementen’. Het risico daarbij is altijd dat je bij mensen op de tenen gaat staan, omdat ze verknocht zijn aan hun ‘speeltje’.  Ik heb ook van dat soort ‘speeltjes’, maar als ik heel eerlijk ben, kun je best zonder.

Klik hier voor een link naar een Engelstalig artikel over hoeveel je moet uitgeven aan een gravelbike.

1. Wat is een fietsvakantie?

1.1 Kort door de bocht

Een trektocht waar je de fiets als vervoersmiddel gebruikt.

1.2. Definities en discussies

Als je ergens lid bent van een fietsvakantie Facebook groep of op internet al wat fora hebt afgeschuimd, zal je ontdekt hebben dat er verschillende termen zijn voor fietsvakanties en dat sommigen ook veel waarde hechten aan de goede naam bij het juiste beestje.

Toen wij in 1998 onze eerste serieuze tocht maakten, heette het gewoon vakantiefietsen of fietskamperen. Dat laatste gaf direct aan dat je de voorkeur gaf aan de tent als middel om te overnachten. Terwijl een fietsvakantie met hotels of B&B’s natuurlijk ook prima kan.

De term randonneren was in die tijd een voorbestemd aan de ‘wappies’ die zoveel mogelijk kilometers in een zo kort mogelijk tijdbestek af wilden leggen. Het genereerde mooie verhalen van slapen in het graanveld en na een korte nachtrust vergeten zijn welke kant je nu op moest fietsen. Wij noemden onszelf zeker geen randonneurs.

Met de introductie van bikepacken, is ook de term biketouren geïntroduceerd. Hoewel er halve oorlogen worden gevoerd op internet over wat wel en wat niet onder bikepacken mag worden geschaard, is het voor de minder emotionele lezer een beetje lood om oud ijzer. Omdat het vervelend wordt als ik iedere keer uitleg wat ik onder Bikepacken versta, doe ik het hier één keer. Dit is mijn definitie, dit is niet een algemeen geldende waarheid.

1.2.1. Bikepacken

Met een sportieve fiets (racefiets, MTB, Gravelbike) met zadeltoetertas, frametas en handelbaar bag een fietstrektocht doen. Waarbij de focus ligt op het fietsgenot en minder op het comfort en waar zeker ook een prestatie aan kan hangen.

Redelijk standaard setup van een bikepacker

1.2.2. Biketouren

Het ouderwetse vakantiefietsen met (Ortlieb) tassen voor en achter, een kanozak bovenop je achtertassen gebonden een een stuurtasje met een beugel aan je stuur. Biketouren doe je op een trekkingfiets met een krakelingenstuur.

Zo herken je de biketourder

1.2.3. Biketrucken

Hierbij introduceer ik ook het nieuwe begrip; ‘Biketrucking’. Hier schaar ik de fietsers onder die volledig voor comfort kiezen en zoveel spullen meenemen dat hun fiets meer op een truck lijkt dan op een fiets. Om je er een voorstelling van te maken denk ik aan een fietser met achtertassen met aanhangtasje (Ortlieb heeft het), 2 kanszakken op de achtertassen, een voordrager waar zowel voortassen als een kanozak bovenop kan, een frametas, een stuurtas, een buistas en een rugzak. Afgelopen zomer zijn we 2 Fransen tegengekomen waarbij hij 46kg en zij 32kg aan bagage bij zich had. Dat noem ik dan ‘biketrucken’.

1.2.4. De standplaatsfietser

Wat ik niet meeneem in deze introductie is de ‘standplaatsfietser’. Daarmee bedoel ik de fietsers die ergens naartoe rijden, daar hun camper neerzetten of een B&B boeken en van daaruit fietstochtjes maken. Er is niets mis mee, maar in mijn definitie is het geen vakantiefietser.

Bretagne en Normandië – Etappe 19 (Flers – Laval [120km])

Vannacht om 2:15 uur zag de wereld er niet zo rooskleurig uit. Een tweede naad in mijn luchtbed was net gesprongen, waardoor nu 3 luchtkamers met elkaar verenigd waren tot een soort van zeppelin sofa. Tot overmaat van ramp snurkte onze aardige Franse buurman vrij luid.

Een in allerijl verzonnen constructie met een opblaaskussen en een fietsbroek, bood uitkomst voor de instabiele ligging die ik op mijn luchtbedje had. Madeleine stond net op het punt om op te zoeken wat ‘snurken’ was in het Frans, om onze Franse fietsvriend te vragen ermee op te houden, toen hij er vanzelf mee stopte. Mede daardoor hebben we toch nog redelijk kunnen slapen.

Vanochtend moet de koudste ochtend van deze vakantie zijn geweest. De enige reden dat we een korte broek droegen, was dat we geen lange fietsbroek bij ons hadden. Naast een T-shirt hadden we beiden nog een fleece en een windstopper aan. Op weg naar de bakker bedacht ik me dat handschoenen echt niet gek hadden gestaan.

Bij de bakker kwam ik onze andere Franse buurman nog tegen. De in overhemd fietsende buurman die zijn retro MBK stond af te spuiten twintig centimeter bij onze waslijn vandaan. Dat Madeleine heel opzichtig haar fietsbroek ging ‘redden’ zette hem niet aan tot anders handelen.

Ook de ‘schoonspuiter’ was volledig ingepakt, inclusief regenjack, hoewel regen niet te verwachten viel. Het was gewoon fris. Hij keek me nog een keer wat teleurgesteld aan. Teleurgesteld, omdat ik te weinig aandacht had gehad voor zijn prachtige retro fiets, die glom alsof Ronald hem net gepoetst had en waar het ‘retro’ tot in de puntjes was doorgevoerd. Zelfs het bagagerekje was in jaren 60 stijl. En hij had nog wel zo zijn best gedaan gisteravond. Paraderend als een 50 plusser met zijn tweede leg van 35 aan zijn hand, liep hij daar met zijn glimmende MBK. Ik loop nooit met mijn fiets van mijn kampeerplek naar het toiletgebouw en terug. En als ik een praatje ga maken met de buurman, neem ik mijn fiets ook niet mee. Onze ‘retrospuiter’ wel.

Nou moet ik ook zeggen dat een praatje maken niet meevalt in het Frans. En Engels is hier nog niet velen gegeven. Maar goed, ons Frans is ook onvoldoende om eens gezellig een conversatie te beginnen over waar bijvoorbeeld al dat Europese geld in Frankrijk blijft. Dat is dan toch het verschil met Engeland, waar ik tot twee keer toe een heel aardige discussie over de Brexit had.

Dan maar fietsen. We zaten wat van de route af en Komoot was de navigatie van dienst, daar vriend Garmin de route niet omgedraaid kreeg en ons steeds terug wilde sturen. Onze navigatie blijkt een beetje komootonoom te zijn en bedenkt zelf wel hoe je terug komt op het juiste pad. We hadden het idee om nog even te stoppen bij de lokale Intermarché, maar daar stak onze Duitse TomTom een stokje voor. Voor de rest werkt Komoot een stuk beter dan mijn Garmin. Alleen jammer dat mijn iPhone na een paar uur wel echt leeg is.

Al snel werden we de eerste Voie Verte van de dag opgestuurd. Nu geeft de term ‘Voie Verte’ bij ons niet direct een positieve inslag, maar deze was zeer goed te pruimen. Met voldoende zicht en een redelijke ondergrond. Het opkomende zonnetje hielp daar ook wel bij. Inmiddels had de windstopper zijn weg naar de fietstas gevonden en was het wachten op een goed moment om ook de fleece vaarwel te zeggen.

Brug op de Voie Verte

Het idee vanochtend was om naar Mayenne te fietsen. Gezien de staat van mijn luchtbed, zouden we daar dan op zoek naar een trekkershut of hotel. Reserveren van de een of de ander was (on)bewust uitgesteld, omdat ook het einddoel lonkte. De etappe naar Mayenne was ongeveer 68 kilometer. Als we er nog eens 36 bij optelde, zaten we in Laval. Aantrekkelijk, maar wel een etappe van over de 100 kilometer.

Ecluse bij Torchamp

Een van de nadelen van een Voie Verte is dat je nooit een dorpje ziet en dientengevolge ook geen koffiestop. Dus kozen we even voorbij Domfront het alternatief via Torchamp en St-Fraimbault. Een goede keus, zo bleek. Niet alleen was de route een welkome afwisseling op het gravelpad, maar we kwamen direct een aantal schattige dorpjes en gehuchtjes tegen. In St-Fraimbault zat ook nog een prima koffiestop.

De Vélo Francette bevalt ons goed. We waren een beetje bang dat het een saaie route zou zijn en dat onze tocht als een nachtkaars uit zou gaan, maar het tegendeel is waar. Het is hier leuk en afwisselend fietsen. Nooit écht moeilijk, maar helemaal vlak is het ook niet. De route is ook nog niet zo oud. Op sommige plaatsen moeten er nog paaltjes de grond in en soms moeten de spoorrails nog naar de oud ijzer handel gebracht worden.

Het spoor ligt er soms nog

De Vélo Francette bewijst dat je leuk kan fietsen zonder dat het zweet je van het voorhoofd gutst en je toch een buitenland gevoel kunt hebben. We zijn flink wat rotspartijen tegengekomen en zelfs een waar alpinisten een poging waagden de absolute top te bereiken.

Echte rotsen
Waar klimmers tegenaan klimmen

Eigenlijk wisten we het beiden al. Mayenne zou niet het einddoel worden vandaag. Tot aan Mayenne ging het van een leien dakje en dus werd het trekkershutten verhaal overboord gekieperd en werd er gezocht naar een ravitailleringsmogelijkheid voor een banaan, cola en een vanille toetje. Deze vonden we aan de Rue de la Madeleine, hoe kon het ook anders.

Geen bijschrift nodig
Ecluse aan de Mayenne

De kilometers tussen Mayenne en Laval begeven zich naast de rivier de Mayenne. Daarmee dus gegarandeerd vlak. Wel werden we veelvuldig geconfronteerd met een diepgewortelde frustratie; de écluse. Echter waren ze in de Mayenne minder erg dan in het Canal du Boulonge en kronkelt de Mayenne natuurlijk meer dan een kanaal. Aangezien we toch ergens tussen de 70 en 100 kilometer zaten, waren we niet ontevreden met de vlakke ondergrond. De kilometers vlogen aan ons voorbij en weldra hadden we het eindpunt van onze reis bereikt; Laval.

Laval
Eindpunt van een mooie tocht

Eigenlijk schreeuwden hart, lijf en ziel om een feestelijk drankje, maar de bezorgdheid om de staat van de auto won het toch van de gewenste festiviteiten. Onze Ford stond al 3 weken op een Parc et Relais ergens in een buitenwijk van Laval. Met de opdracht ‘Rue de Einstein’ had ik mijn Google route ingesteld en met 13 minuten zouden we bij de overblijfselen van onze auto zijn.

Je bedenkt het niet, maar het is toch echt zo. Er zij 2 ‘Rue de Einstein’ in Laval. Nadat Madeleine haar collegae bij de lokale straatnamencommissie had vervloekt, moesten we nog eens 19 minuten naar de juiste ‘Rue de Einstein’. Een behoorlijke goedmaker was dat we de auto in nieuwstaat terugvonden. Geen ingetikte ruitjes, geen graffiti op de motorkap en bovenal, hij stond er gewoon nog.

Laval by night

De avond hebben we mooi afgesloten in een leuk Laval. Een leuke Italiaan mocht ons voorzien van prima pizza en een sober maar prima hotel van – eindelijk – een goed bed. Het is een heerlijke tocht geweest, maar thuis lonkt.

Bretagne en Normandië – Etappe 18 (Caen – Flers [91km])

Op een pover hotel ontbijtje zijn we vanochtend vanuit Caen vertrokken richting het zuiden. Het was even zoeken waar we de route konden oppikken. We hebben de Route Fietsen Rond het Kanaal achter ons gelaten en pakken nu de Vélo Francette op. Toen we eenmaal de nieuwe route hadden gevonden, leidde deze ons over een mooi fietspad de stad uit. De Fransen maken er echt werk van om een paar mooie fietsroutes aan te leggen.

Wagon ter nagedachtenis aan het spoor

De eerste 40 kilometer vanuit Caen zijn makkelijk, We rijden weer over een Voie Verte die is aangelegd op een oude spoorbaan. Deze is echter pas in 2018 opengegaan en getuige de nog redelijk moderne wagon halverwege, moet het spoor nog redelijk recent gebruikt zijn. Het is ook een dubbelspoor geweest. Daar waar het fietspad nu ligt, is de rails weg, maar het andere spoor ligt er nog. Inmiddels regelmatig verscholen onder een dikke laag onkruid.

Waar in Bretagne de Voie Verte voor het grootste deel aan twee kanten werd afgeschermd door bomenrijen en je dus weinig kon zien van het landschap, is dat op deze anders. Als we langzaam het ‘Zwitserland van Normandië’ inrijden, kijken we uit op rotsen en behoorlijk hoge heuvels. Het is heerlijk fietsen met mooie uitzichten.

Voie Verte tussen Caen en Clésy

Natuurlijk is ‘Suisse Normande’ een beetje overtrokken term voor dit gebied, maar je vind er wel rotswanden waar je tegenaan kunt klimmen en een echte zomerrodelbaan. Dat begint er toch al aardig op te lijken. Jammer is wel dat de Voie Verte ten hoogte van de rodelbaan net verhoogd ligt, zonder afslag. Dus je kunt er alleen maar komen met een omweg met flink wat hoogtemeters.

Na het verlaten van de Voie Verte, volgen de hoogtemeters van de dag. Gek genoeg kruis je nog wel regelmatig het spoor, dus misschien trekken ze het ooit nog wel door. Maar voor nu moeten we het even doen met een aantal niet al te zware klimmetjes. Ze zijn wat langer dan aan de kust, maar absoluut minder steil. Dus als je maar het juiste verzet kiest, kom je wel boven.

Ook op dit stuk is genoeg te zien, zonder dat je direct gaat bellen of iets op de lijst met werelderfgoed mag. De dorpjes zijn uitgestorven. Het lijkt er wel zondag en dan rond het tijdstip dat iedereen in de kerk zit. Winkels zijn dicht en van koffie kunnen we alleen dromen. We zullen moeten wachten tot Flers.

Het einddoel van de dag is Flers. Een behoorlijke plaats met een kasteel en vele supermarkten. De onze was een hele grote Carrefour. Zo groot dat ze er geen blikje Campinggaz voor me hadden. Dat gebeurt me wel vaker bij de Carrefour, terwijl de meest lullige Intermarché er altijd 1 voor me op de plank heeft staan.

De camping ligt een beetje van de route. De weg er naartoe is druk en loopt licht omhoog. Dan loopt het morgen weer naar beneden, moeten we maar denken. De camping is rustig. Er komen nog wat fietsers druppelen, maar meer dan dat wordt het niet. Wel heb ik voor vannacht nog een uitdaging staan. Mijn matje is nu verworden tot een halve skippybal en ik vraag me af hoe lekker dat zal slapen. Tijdens mijn eerste Bikepack avontuur had ik hetzelfde probleem met een ander matje en toen heb ik echt slecht geslapen. Het voordeel is dat nu niet de middelste 2 banen zijn samengevoegd, maar 2 iets aan de zijkant. Dat biedt misschien nog wat mogelijkheden voor een stabiele zijligging.

Madeleine bood nog aan dat zij er morgen dan wel op wil liggen. Maar ik denk dat als ik er slecht op slaap, dat we de laatste nacht gewoon een hotel pakken. Hoewel het geen zekerheid is dat je dan een goed matras krijgt. De afdrukken van boxspring veren zijn nog zichtbaar op ons lijf, Madeleine loopt krom van de rugpijn en kijk vol enthousiasme uit naar een nacht op een skippybal. Alles beter dan het bed van vannacht.

Bretagne en Normandië – Etappe 17 (Arromanches – Caën [42 km])

In de Tour zouden ze dit een ‘tussenetappe’ noemen. Niet lastig, niet moeilijk en weinig over te vertellen. De eerste helft langs de kust was redelijk saai, maar wel pittig vanwege de wind op kop. Vanaf Courseulles-Sur-Mer gaat het zuidwaarts en dus kregen we de wind meer in de rug. Daar werd de route ook weer wat interessanter met kronkelwegen en bos.

Waar ik er nog behoorlijk naast zat om Bayeux te verbasteren to Banlieu, had ik dat zeker mogen doen met Courseulles. Als er een prijs zou zijn voor lelijkste dorp van Frankrijk, dan stond deze hoop bouwvallen op de nominatie. Het is het Avoriaz van Normandië. Een gedrocht dat opgetrokken is in een tijd dat architecten blijkbaar niet te vinden waren. Natuurlijk is er het excuus dat het in de oorlog volledig platgebombardeerd is. Dat zouden ze nu eigenlijk weer moeten doen. En al laten ze het hele dorp opnieuw ontwerpen door Cees Dam, dan nog wordt het gezelliger dan deze armoedige ghetto voor verlopen strandtoeristen.

Het Avoriaz van Normandië

In Caën is de wederopbouw beter gelukt. Er zal het een en ander hersteld zijn, maar er zijn nog steeds gezellige straatjes te vinden. Ook lijkt een aantal vakwerkhuisjes gered van de bommen en granaten. Met de vele kleine winkeltjes is het prettig ‘shoppen’ in Caën. Ook struikel je er over de restaurantjes, al is de kaart van de meeste beperkt tot café voer.

We zagen 2 coole fietsers door de stad rijden. Eén op een ligfiets en een ander met een BOB kar. Voor het stoplicht draaiden ze plots om, wat irritatie en dus getoeter van automobilisten opwekte. Ze waren duidelijk op zoek naar de uitgang. De informatie is er wel, maar is niet altijd even duidelijk.

Waar moet ik naartoe?

Madeleine heeft midden in Caën een hotel geboekt. Niet te ‘fancy’, maar toch een heus hotel. Ergens stond in een recensie dat de bedden erg goed waren. Dat moet een trol zijn geweest, want ik voel de veren door mijn matras. Maar alles is op dit moment beter dan mijn luchtbedje. Vannacht is ook bij dit exemplaar een naad tussen 2 luchtkamers gesprongen. Hierdoor lig je op een halve skippybal. Dat is het tweede Exped matje dit jaar. Ik moet de exacte aankoopdatum nog opzoeken, maar ik denk dat ze ongeveer 8 jaar oud zijn. Die dingen hebben dus niet het eeuwige leven. Gelukkig gebeurt het redelijk aan het einde van onze tocht. Als het goed is nog maar twee overnachtingen in de tent, dus dat overleef ik wel.

Bretagne en Normandië – Etappe 16 (Pont du Hable – Arromanches [58km])

Met voorbedachte rade hebben we gisteren 10 kilometer meer gereden, zodat we vandaag de tijd hadden om 2 ‘site seeings’ te doen. We hebben de route van Cees een beetje aangepast en zijn via het nieuwe fietspad langs de kust van Pont du Hable naar Pointe du Hoc gereden.

La Pointe du Hoc

Wie de film ‘The longest day’ heeft gezien, zal een beeld hebben bij deze plek. Er in het echt staan en je in te beelden wat voor een hel het hier moet zijn geweest, is nog indrukwekkender. Boven op de klif moet het ooit een plateau zijn geweest, maar dat is nu meer een groot uitgevallen poffertjespan door alle granaatinslagen.

De bunker die ik me herinner uit de film ‘The longest day’

De tweede stop is iets van de route af. Het is het Amerikaanse oorlogskerkhof met meer dan 9.000 kruizen en sterren. Om een indruk te krijgen; op 6 juni 1944 sneuvelden 9.000 geallieerde militairen.

Ik word er stil van…

Tussen al het oorlogsgeweld kronkelt de route gezellig door het Normandische kustgebied. Vrijwel continue met een fris kopwindje en dus de twijfel tussen T-shirt en trui.

Een dikke 10 kilometer voor de eindbestemming rijden we Bayeux binnen. Ik ben erkend slecht in het onthouden van namen en bijzonder bedreven in het verbasteren ervan. Dus de 15 kilometer voor Bayeux heb ik het stadje consequent aangeduid met Banlieue. Het stadje inrijdend besefte ik me dat ik er niet meer naast had kunnen zitten.

Vakwerkhuisje in Bayeux

Door toeval is Bayeux gespaard gebleven tijdens de invasie. Alle overige steden in de buurt zijn platgebombardeerd, maar de Duitsers in Bayeux waren zo verrast dat ze in allerijl de stad hebben verlaten en het onbeschadigd hebben overgedragen aan de geallieerden. Mede daarom is het centrum redelijk authentiek met vakwerkhuisjes en een fraaie kathedraal, voor zover een kathedraal fraai kan zijn.

Kathedraal van Bayeux

En de stad brak de wind, dus konden we heerlijk in het zonnetje op een terrasje zitten. Dachten we.

De lezers van 40 jaar en ouder herkennen het zeker. Arogante, chagrijnige Fransen die je in onverstaanbaar rap Frans afsnauwden en dan wild gesticulerend andere, Franse, klanten lieten weten wat voor een drama die buitenlanders waren. Ik ken ze nog van vroeger, maar moet toegeven dat dit ras zo goed als uitgestorven is.

Zo goed als, want in Bayeux hebben we nog een relikwie gevonden. We bleken een iets te chique etablissement voor een stelletje fietsers te hebben uitgezocht en ons tenue kon blijkbaar de toets der kritiek van de in zwart jurkje geklede serveerster niet doorstaan. Met zichtbare tegenzin werd ons toegestaan een tafeltje te bezetten, terwijl we misprijzend bekeken werden. Briljant hoe sommigen je non verbaal niet welkom kunnen laten voelen.

‘Cola Zero’ is ook een dingetje in Frankrijk. De meeste cafés en restaurantjes hebben het wel, maar velen verstaan ons verkeerd. ‘Un Cola Zero’ werkt het best, maar is zeker geen garantie tot succes. Vaak krijg je dan gewoon een ‘regular’ cola toebedeeld. Zo ook bij ons stuk chagrijn in ‘little black dress’. En aangezien de cola voor Madeleine bestemd was, mocht zij de laatste 10 kilometer naar Arromanche het kopwerk verzorgen om de cola eraf te rijden.

Arromanches zelf stelt niet zoveel voor. Er is een ‘winkelstraatje’ met souvenirs en restaurants, er is een museum met ‘de landing’ als thema en er is de 360 graden film, bovenop de klif.

De restanten van de pontonhaven van Arromanches

Arromanches is met name bekend om haar pontonhaven (code naam Mulberry B). Daar het nogal lastig bleek te zijn om vanuit zee direct een havenstad in te nemen, hebben de geallieerden een manier bedacht om een drijvende haven te creëren voor een strand. Voor de invasie van Normandië hebben ze er 2 bedacht. Mulberry A bij Omaha Beach is na een dag of 10 door een ongebruikelijke juni storm verwoest en dus moest alle bevoorrading via Mulberry B bij Arromanches.

Mooi beeld gemaakt van carrosserieringen

De camping municipal was door Madeleine zorgvuldig uitgezocht voor de rustdag. Geen overmatige drukte van zwembad toerisme en niet het Bohemian laissez faire van een aire naturelle. Vaak ligt een municipal vlakbij de dorpskern en niet zelden naast het sportveld. Zo ook in Arromanches, waardoor het dorp en de winkels te voet te bereiken zijn en we de fiets kunnen gebruiken als paal voor een waslijn.

Bretagne en Normandië – Etappe 15 (Saint Vaast la Hougue – Pont du Hable [87km])

Indrukwekkend. Mensen lopen bij Utah Beach het strand op en draaien zich dan na een meter of 30 om. Met het gezicht richting de duinen. Er is nu niets meer te zien dan Amerikaanse en Franse vlaggen die gebroederlijk naast elkaar wapperen, maar iedereen beeld zich in hoe hier soldaten over het strand hebben gerend, terwijl de kogels om hun oren vlogen.

Het moeilijkste deel van de route zat in het begin. Nog een stevig klimmetje en wat op en neer zonder titel. Maar we reden de eerste 50 kilometer met de wind in de rug. Dan lijkt het met 87 kilometer een van de zwaardere etappes, maar dat viel allemaal wel mee.

We vertrokken ook nog eens in de zon. Veel mooier kun je het niet krijgen. Normandië is wat kleinschaliger en lieflijker dan Bretagne. De kleine wegen kronkelen door het landschap. Af en toe wordt je zicht belemmerd door hagen aan beide zijden van de weg. Regelmatig kom je leuke dorpjes tegen. Een heel aangename fietsomgeving dus.

Wat hoogtepunten betreft was het rustig vandaag. Uiteraard het eerste invasiestrand en de geboorteplaats van een van de voorouders van Walt Disney. De plaats heet Isigny. Uit Isigny is in het Frans d’Isigny en dat is weer verbasterd tot Disney. Moeilijk verhaal wat een aantal Micky Mouse figuren op winkelruiten veroorzaakten en er schijnt een museum over onze ‘Walt’ en zijn voorouders te zijn.

Vanaf Carentan kom je langzaam in het ‘invasiegebied’. Je ziet de eerste Amerikaans vlaggen wapperen en een eerste bescheiden monumentje doemt op. Er rijden ineens oude Amerikaanse voertuigen over de weg en de eerste bordjes wijzen je de weg naar Utah Beach.

Vanaf Isigny loopt er eenlang grindpad Noordwaarts. Er blijkt een asfalt alternatief te zijn en Madeleine is meteen verkocht. Mijn ‘asfalt Jeannette’ is al genoeg over onverharde paden gejaagd. Iedere keer als ze een stuk glad asfalt tegenkomt bedankt ze Emmanuel hartelijk voor bewezen dienst en bij ieder stuk gravel vervloekt ze hem. Ze begint al aardig ingeburgerd te raken in France.

Mijn ‘asfalt Jeannette’ op onverharde bodem

Ik kon het weer niet laten, liet mijn vrouw in de steek en koos voor het grindpad. Dit bleek een karrenspoor langs een zeearm te zijn met meer losse klinkers dan korrels grind. Het was maar goed dat Madeleine de cola meehad, want die was serieus ontploft met al dat gehobbel. Wel weer mooi waren de meeuwen die opvlogen als je aan kwam fietsen.

Gravelpad bij Isigny

Op driekwart van het grindpad kreeg ik plot een hongerklop. Telepatisch of niet, maar Madeleine bleek later rond hetzelfde moment ook een hongerklop te hebben gehad. Uiteraard had zij bananen, cola en Cliff-bars bij zich en ik…. niets. Nadat ik 2 moeizame kilometers had afgelegd en we weer verenigd waren, heeft Madeleine een banaantje voor me gepeld.

Stonden we gisteren nog op een camping met vier hele sterren, staan we vandaag op een Aire Naturelle, hetgeen de Franse variant van een natuurkampeerterrein is. Madeleine had grondig onderzoek gedaan en de antecedenten van camping en eigenaar nagetrokken. De camping had het certificaat ‘Madeleine fähig’ gekregen. Sommige Aire Naturelles zijn serieuze campings en andere zijn een grasveldje met een gat in de grond als WC.

Camping Pont du Hable zit in de eerste categorie, maar is wel een Boheems paradijs. Het is een langgerekt grasveld met lukraak verspreid een aantal bouwvallige caravans. In een Tabbert waar zelfs Koos Petalo zich voor zou schamen, resideert de eigenaar. Deze kwam ons ‘s-avonds WiFi codes uitdelen en vertellen dat we ergens morgenochtend mochten betalen.

Maar de douches zijn warm en het sanitair is redelijk schoon. Er is een koelkast, een magnetron, een wasmachine en een fietspomp. Als het te warm werd, kon je altijd nog een duik nemen in het opblaaszwembad. Kortom, bijna net zo viersterren als onze vorige camping.

Weer een zeecamping, nu zonder strand

In een beetje Boheems paradijs heb je natuurlijk loslopend wild. Op camping Pont du Hable doen ze het bescheiden met een aantal loslopende kippen. Maar man, wat waren die beesten irritant. Nu is een kip in mijn optiek alleen nuttig als ze eieren legt of in de pan ligt, maar deze liepen gewoon je tent in. En toen ik aan het koken was, liep er een bijna mijn pannetje in. Een welgemeend ‘Kssst’ van mijn kant voorkwam groot kippenleed.

Fusilli met kiploos prutje

Bretagne en Normandië – Etappe 14 (Bretteville – Saint Vaast la Hougue [45km])

Wat is de ideale trekkerscamping? Ik stel me deze vraag op een camping die zijn vier sterren ontleent aan een zwembad en een speeltuin. Maar wat zou voor trekkers een ‘vier sterren camping’ zijn?

Om te beginnen staan er alleen tentjes. Geen kampeerklikos, geen tuktrucks en geen foutwagens. Alleen maar tentjes op een veld. Niet met omhaagde plekken, maar lukraak, daar waar de trekker denkt goed te staan. Tussen de tentjes staan voldoende picknick banken. Het sanitair is sober maar schoon en heeft naast een heerlijk warme douche een wasruimte die niet vervuilt wordt door een stortplaats voor portapoties. In de slechtweerruimte met kleine bibliotheek staat een koelkast naast een set ‘lockers’ waarin je veilig je telefoon en navigatie kunt opladen. Om de hoek staat een professionele wasmachine met een bordje erbij dat de je met de wasknijpers in het mandje de was buiten aan de daarvoor bestemde waslijnen kunt hangen.

De vriendelijke receptionist vraagt hoeveel brood en welk soort je morgenochtend wilt hebben en wijst je op het bescheiden campingcafeetje waar niet alleen buitengewoon goede koffie wordt geschoken, maar ze ook Paix Dieu op de tap hebben. Het is tot 11 uur ‘s-avonds gezellig op de camping, waar je ervaringen en sterke verhalen uitwisselt met andere trekkers. Om 11 uur breekt iedereen op en gaat lekker pitten. Niemand snurkt.

Terwijl ik door het gaas van mijn binnentent uitkijk over het prachtige meer, schrijf ik mijn verhaaltje om het daarna te plaatsen via razendsnelle WiFi. Zo ongeveer ziet mijn ideale camping eruit.

Voor vandaag hebben we voldaan aan de tweede wet van Jaap. Waar de eerste wet van Jaap nog iets zegt over hoeveel kilometer je moet hebben gefietst voordat je appeltaart mag, zegt de tweede dat je elke vakantie 1 keer een kerk moet hebben bezocht. Vandaag was het voor ons zo’ndag.

De kerk van Neville is bekend vanwege haar hangende boot. Toen Madeleine mij de beschrijving voorlas, creëerde ik voor mezelf een beeld van een levensechte boot, die ergens onder het dak van de kerk was opgehangen. De werkelijkheid bleek een schaalmodel te zijn, die tussen de Katholieke kroonluchters door naar het altaar probeerde te varen. Wel een mooie kerk, dat wel.

Het was een toeristische etappe. De etappe was kort en niet moeilijk, hetgeen weinig hoogtemeters betekent. Het was mooi weer en er stonden een aantal ‘attracties’ op het programma, waaronder de kerk in Neville.

Vuurtoren van Gatteville Phare

Gatteville Phare heet zo, omdat ‘phare’ vuurtoren betekent. De vuurtoren van dit dorp is de hoogste van Frankrijk en daardoor een trekpleister. Het is misschien de hoogste, maar zeker niet de mooiste. Dat moet Kees Swart ook hebben gevonden, want de route hield ruimschoots afstand van het ding. Je kunt hem beklimmen, naar het schijnt, maar dat hebben we dus achterwege gelaten.

Op naar het schattige haventje van Barfleur. Een vroeger vissersdorpje dat een dramatische daling in inwonersaantal heeft gekend en nu met 600 man de plezierjachten ontvangt. Het is inderdaad wel een aardig haventje,maar om er nou een trekpleiser van de maken, vind ik wat overdreven.

Haventje van Barfleur

Op naar eindbestemming Vaast. Of Saint Vaast La Hougue zoals het officieel heet. Over de camping kunnen we kort en krachtig zijn. Veel geld voor weinig plezier, maar het plaatsje is zeker de moeite waard. Wel een beetje een hoog Frans ‘Gaastra met rode broeken’ gehalte, maar een charmant haventje met leuke tentjes. Het is niet geheel zonder reden dat in 2019 Vaast is uitgeroepen als het best leefbare dorp van Frankrijk. In de haven liggen naast de talloze plezierjachten en bootjes ook nog echte vissersboten. Met bijbehorende odeur, dat dan ook weer wel.

Verschillende gezichtspunten vanuit Vaast, inclusief veerboot dat een amfibievoertuig blijkt te zijn.