Het Stuur
Als je net het hoofdstuk Het Frame hebt overleefd, ben je nu zeker aan een tweede kop koffie toe. Daarom heb ik het tweede hoofdstuk gewijd aan een wat kleiner onderwerp: het stuur.
Het Stuur – De Finish
Zorg voor een stuur waarbij verschillende handposities mogelijk zijn. Bij een race stuur (dropbar) op een gravelfiets zit je goed, bij een gewoon stuur (flatbar) moet je zorgen voor goede bar-ends. Kies bijvoorbeeld voor de Ergon GP5.
Het Stuur – De Koers
Het type fiets bepaalt in grote mate het type stuur. Een gravelfiets zal normaal gesproken een racestuur (drop bar) hebben en een trekkingfiets een recht stuur (flat bar). Maar het is zeker mogelijk om een gravelfiets uit te rusten met een recht stuur of een trekkingfiets met een racestuur. De vraag hierbij is wat je persoonlijke voorkeur is. Ik zie dat vakantiefietsers vaak alleen voor een racestuur kiezen als ze die al gewend zijn van hun race- of gravelfiets.
Een recht stuur (flatbar)
Fietsers die thuis alleen een stadsfiets hebben staan, neigen toch meer naar een recht stuur. Met een recht stuur zit je iets breder uit. Dat betekent dat je iets meer controle over je stuur hebt en het zal stabieler aanvoelen. Let wel op dat je geen MTB stuur van 80cm breed aangesmeerd krijgt. Dat zit na verloop van tijd echt niet lekker en aerodynamisch is het natuurlijk een ramp. Hou een stuurbreedte van tussen de 60cm en 65cm aan.
Een racestuur (doopbar)
Bij racesturen heb je iets vergelijkbaars, al zijn de verschillen minder groot. Als je ooit Harry Lavreysen op de wielerbaan hebt zien rijden, is je ongetwijfeld opgevallen wat voor een kinderstuurtje hij heeft. Alles voor de aerodynamica, maar moeilijk en zenuwachtig sturen is het wel. De vuistregel bij een racestuur op een vakantiefiets is Stuurbreedte = Schouderbreedte.

Een fenomeen uit de gravelwereld is de ‘Flare’. Dat is in hoeverre het onderste deel van je racestuur naar buiten staat. Hippe gravelfietsers hebben naast tattoos en een baard, een ‘flared’ stuur en een leren stuurtasje er tussen. Een beetje ‘Flare’ kan goed zijn voor het comfort. Zeker als het stuur breder is dan je schouders. Als laatste kun je bij een racestuur rekening met de hoogte van de ‘drop’. Zeg maar het verschil tussen boven- en onderkant van je stuur. Wat groter de ‘drop’ wat meer je voorover komt te zitten als je ‘in de beugels’ gaat. Verder voorover is aerodynamisch beter, maar wordt meestal als minder comfortabel ervaren.
De shifters
Belangrijk om te weten is dat het type stuur bepalend is voor de schakelapparaten (shifters) die je kunt gebruiken en daarmee welk type of welke groep versnelling je kunt monteren. Een recht stuur heeft duim- of draaishifters. Deze zijn niet op een racestuur te monteren. Een racestuur heeft ‘brifters’. Dat is een combinatie van rem en shifter in een. Deze kun je we niet op een recht stuur monteren.
De kabelverhouding
Tot zover geen probleem, gewoon een paar andere shifters monteren. Maar dat werkt helaas niet altijd. Als je een derailleur versnelling hebt, dan is de derailleur afgestemd op de shifter. Het treklengteverschil of kabelverhouding is niet bij elke shifter of derailleur gelijk. Het treklengteverschil (of kabelverhouding) tussen shifters is de hoeveelheid kabel die een shifter intrekt of vrijgeeft voor elke versnelling die wordt geschakeld. Als dit niet overeenkomt met de achterderailleur, zal de fiets niet goed schakelen. Je kunt dus niet zo maar een duimshifter op een GRX groep monteren. Dat is waarom je waarschijnlijk geen gravelfietsen zult vinden met een recht stuur en een GRX groep.
Uitzonderingen op de regel zijn elektrische groepen zoals de Di2 van Shimano en de Cues groepset, eveneens van Shimano. Bij die laatste heeft de fabrikant er bewust voor gekozen de kabelverhouding tussen alle shifters en all derailleurs in die groep hetzelfde te houden.
Naafversnelling en versnellingsbak
Heb je een Rohloff of Alfine naaf of een Pinion versnellingsbak, dan heb je in principe een draaishifter en dus een recht stuur. In het hoofdstuk ‘De Versnelling’ ga ik dieper in op de vraag of een draaishifter handig is, maar voor het stuur lijkt het versnellingsapparaat bepalend voor het type stuur. Gelukkig zijn er gespecialiseerde oplossingen om een Rohloff of Pinion aan te sturen met een brifter. Er worden ook gewoon gravelfietsen met een Rohloff naaf aangeboden.
Het triatlonstuur
Om super aerodynamisch op je fiets te zitten, kun je een triatlonstuur monteren. Dat zijn armsteunen waardoor je het lijf en ledenmaten in 1 lijn brengt met elkaar en daarmee de meest aerodynamische houding creëert. Dat lijkt misschien een overdreven attribuut, maar het zorgt bij tegenwind voor een voelbaar verschil.
Het krakelingen of vlinder stuur

Dit stuurtype is een beetje een klassieker aan het worden. Je ziet ze niet veel meer op nieuwe fietsen. Een recht stuur met goede bar-ends levert hetzelfde resultaat. Ook zijn er inmiddels stuur types op de markt die andere behoefte afdekken zoals de ‘Double Trouble’ en de Senqi Pro.
De grips

Bij een racestuur op een vakantiefiets kies je een comfortabel, zacht en vocht absorberend stuurlint. Bij een recht stuur moet je handvatten kiezen. De meest gebruikelijk zijn dan de ergonomische handvatten van bijvoorbeeld Ergon. Ergon heeft er ook mooie bar-ends bij en speciale types voor draaishifters. Nadeel van deze handvatten is dat ze van kurk of kunststof zijn en je dus kans hebt op zweethandjes. Dat is weer makkelijk te verhelpen met een paar fietshandschoenen. Let er wel op dat de ergonomische handvatten goed gemonteerd zijn. De meeste staan teveel naar beneden. De bedoeling is dat het handvat ervoor zorgt dat je de polsen niet of minder knikt. Dat voorkomt pijn in de schouders en tintelende vingers en slapende handen. Dan moet het brede gedeelte niet te ver naar bededen staan, want dan is het effect weg.
De stuurpen

Al bij de geometrie aangestipt is de stuurpen het middel om de Stack en Reach goed te krijgen. Een kortere of langere stuurpen zorgt voor een langere of kortere ‘Grip Reach’. Stuurpen in hoogte aanpassen met bijvoorbeeld een verstelbare stuurpen heeft weer effect of je ‘Grip Stack’. En ook hier nog maar eens aangegeven, het is niet de bedoeling dat je verstelbare stuurpen recht naar de hemel wijst. Je ziet het veel (oudere) mensen doen om rechter op de fiets te zitten. Dat rechtop zitten wordt dan weer als comfortabel ervaren. Dat betekent wel dat de klappen van hobbels en kuilen allemaal met de onderrug worden opgevangen en dus de behoefte ontstaat aan geveerde zadelpennen en meer van dat soort ‘comfortpleisters’.
Het Stuur – De Nabeschouwing
Ja, heel technisch kan ik niet worden bij een stuur. Het is een handig stuk aluminium dat wel of niet gebogen staat. Het is – net zoals een zadel – nogal persoonlijk wat je als prettig ervaart. Ik heb zowel een trekkingfiets met een recht stuur als een gravelfiets met een racestuur. Op beide fietsen kan ik comfortabel 100km fietsen. Op beide fietsen kan ik mijn positie in hoogte en lengte variëren, wat voor de afwisseling wel lekker is. Op mijn racefiets heb ik ook nog een triatlonstuur. Dat zorgt voor nog meer mogelijke zitposities en voor minder last van tegenwind bij soloritjes. Het vergt wel wat techniek om te sturen met een triatlonstuur en je hebt niet direct toegang tot je remmen en shifters. Dus door een drukke stad fietsen met je armen in een triatlonstuur is misschien geen goed idee.
Voor diegene die overweegt een carbon stuur op zijn vakantiefiets te monteren heb ik de tip dit niet te doen. Met eigenlijk dezelfde motivatie als waarom een carbon frame niet handig is. De kans op schade en zelfs breuk is groot en het voordeel in gewicht en aerodynamica verwaarloosbaar. Een titanium stuur op een titanium fiets met titanium zadelpen en titanium ventieldopjes is net zo overdreven en nutteloos als het carbon stuur, maar wel 3 keer zo vet en 5 keer zo cool.
Het Frame
Zoals de pizza begint bij de bodem begint de fiets bij het frame. Of zoals de Vlaming het zou noemen; het kader. Afgezien van de kleur, niet direct het meest sexy onderdeel van je fiets. Maar net zoals de pizzabodem wel een heel belangrijk onderdeel. En ook een onderdeel dat je achteraf niet zomaar vervangt.
Het Frame – De Finish
Als je meerdaagse tochten gaat maken op een fiets adviseer ik je een aluminium trekking frame te kiezen. Die zijn comfortabel (geometrie), stevig (kunnen aardig wat bagage aan) en kunnen tegen een stootje. Ze hebben voldoende mogelijkheden om bagagedragers, spatborden en bidonhouders te kunnen monteren.
Het Frame – De Koers
De eerste vraag is altijd: “Wat ga je met de fiets doen?” Dat bepaalt eigenlijk de keuze in:
- Materiaal
Staal, Aluminium, Titanium, Carbon - Geometrie
verhoudingen van het frame voor comfort en stabiliteit - Voorvork
- Bevestigingspunten
Nokjes voor dragers, derailleurs, remmen, standaards en andere onderdelen
Ervan uitgaande dat je niet een los frame koopt en de fiets zelf gaat afmonteren, koop je een complete fiets en is er dus al wel rekening gehouden met het feit dat je met de fiets sturen en remmen wilt.
Het Materiaal
Laat ik beginnen met het materiaal. Voor meerdaagse trektochten is Carbon niet ideaal. Het is sterk en licht, maar de sterkte zit in een specifieke richting. Dat betekent dat het heel goed de krachten aankan die logisch zijn als je een fiets gebruikt. Het betekent ook dat het veel minder goed tegen krachten kan die niet normaal zijn voor een fiets. Dat kan bijvoorbeeld een grote hoeveelheid bagage zijn, maar ook of het letterlijk tegen een stootje kan. Een carbon fiets moet je niet tegen een paaltje laten vallen. Zit er een barst in het frame, dan kun je er niet meer mee verder fietsen. Reparatie van een scheur is vaak mogelijk, maar zeker niet door iedere willekeurige fietsenmaker en dus onderweg lastig.
Bij carbon wil ik geen merken of types noemen, omdat ik je echt wil afraden een carbon fiets voor meerdaagse tochten met bepakking te gebruiken.
Een stalen frame wordt over het algemeen aangeprezen vanwege zijn comfort. Dat kun je ook anders zien en dan heb je het over de gebrekkige stijfheid van een stalen frame. Voor fietsers die carbon of aluminium gewend zijn, zal een stalen frame wat ‘zwabberig’ aanvoelen. Zeker als je er veel bepakking aan hangt. Toch zijn er fietsers en fietsmerken die zweren bij een stalen frame en mijn bovenstaande ‘zwabberig’ gedrag naar het rijk der fabelen verwijzen. Een argument zou kunnen zijn dat je een stalen frame onderweg kunt lassen als het gebroken is. De meeste – zo niet alle – stalen frames zijn van zogenaamde Chro-Mo (Chroom-Molybdeen) gemaakt en dat is ook niet zomaar te lassen.
Als je op zoek bent naar een stalen frame, kijk dan eens bij Vittorio of Tout Terrain. De eerste is Nederlands (Heerhugowaard) en de tweede is gezien de naam logischerwijs Duits.
Titanium is prachtig, licht, stevig, sterk en stijf. Er zitten wat mij betreft maar 2 nadelen aan. Het heeft altijd dezelfde kleur en het is duur, heel duur. Maar als je bereid bent carbon prijzen te betalen, maar niet de nadelen ervan wilt hebben, dan is titanium het overwegen waard. Hier wil ik graag verwijzen naar Van Nicholas* fietsen. Dit is een onderdeel van Koga die zich gespecialiseerd heeft in fietsen met een titanium frame. Het is niet goedkoop, maar wel heel mooi.
*op 5 mei 2026 heeft Koga de IT nog niet op orde. Bij het bezoeken van de websites van Koga en Van Nicholas kun je aanlopen tegen certificaat problemen.
Het best scorende in prijs-kwaliteit en dus het meest voorkomende is het aluminium frame. Het is licht, sterk, stijf en kan tegen een stootje. Het haalt het op gewicht in grammen niet bij carbon of titanium, maar voor een vakantiefiets gaat dat het verschil niet uitmaken. De prijs is dan doorslaggevend. Het is een serieus stuk goedkoper dan carbon of titanium. Aluminium is de beste keus voor een vakantiefiets frame.
En goede aluminium frames zijn er in overvloed. Natuurlijk heb je Santos (NL), Koga (NL) en IDWorx (DE), maar in het meer betaalbare segment kun je ook heel goed terecht bij Stevens (DE) of Jan Jansen (NL). Doen de Belgen, de Italianen en de Fransen dan niet mee. Nou eigenlijk niet, of het moet de Van Rysel gravelbike van Decathlon zijn. Die is zo slecht nog niet. Maar als je toch overhelt naar een gravelbike, check dan de Duitse Canyon Grizl 7. Cube is natuurlijk ook een bekend merk in zowel de gravel als de trekking wereld, maar daar hoor ik veel klachten over. Met name op het gebied van de stabiliteit van het frame (zwabberen).
Zeker moet ik dan de Ridley Kalazy (toch nog een Belg) noemen omdat dit de enige gravelfiets is met nokjes voor een standaard. Die fiets hebben ze dan weer heel slecht afgemonteerd (Shimano Claris), dus je zou de fiets voor het frame moeten kopen en de rest in de oud ijzerbak moeten gooien. Een beetje zonde en dat ga je ook niet doen voor een paar nokjes voor een standaard.
En je mist ook nog wel een paar Amerikanen. Trek, Specialized, Canondale, Scott. Veelal zijn de Amerikanen niet gericht op trekkingfietsen. Uitzondering daarop was Giant. Die had altijd met de Giant Expedition een hele goede trekkingfiets voor een aantrekkelijke prijs. Helaas zijn ze met dat model gestopt. Maar voor een gravelfiets kun je natuurlijk best in de USA shoppen. Maar ook hier lijkt de Amerikaanse fabrikant het vakantiefietsen niet helemaal te hebben begrepen. Om ze zij helemaal weg van SRAM (Trek) en die leveren geen behoorlijke groepen voor een vakantiefiets, of ze bezuinigen op de wielen (Canondale) en dus springen al je spaken eruit voordat je bij Nijmegen bent. En Specialized en Scott vinden het niet nodig hun frames met nokjes voor een bagagedrager te voorzien. En dat vind ik – vooral bij de Specialized Diverge – erg jammer, want dat is een plaatje van een fiets.
De Geometrie
Bij de geometrie komt de vraag naar voren wat voor een soort fiets je wilt. Een klassieke trekkingfiets of een gravelbike. Of zoals fabrikanten het nu graag aanduiden: een “Adventure Bike”.
De geometrie geeft de verhoudingen tussen de onderdelen van het frame aan. De afstand tussen zadel en stuur, de afstand tussen de trapas en de bovenkant van de staande buis, etc.

Je kunt je voorstellen dat als je een heel lang frame hebt dat je meer voorover gebogen zit. Dat is aerodynamischer maar niet direct comfortabeler. Ook kan het uitmaken bij een gelijke totale lichaamslengte of je bovenlijf of juist je benen in verhouding langer zijn. Voor de meeste fietsers is een ‘fitting’ bij een goede fietsenmaker voldoende voor veel fietsplezier en weinig blessureleed. De specialen onder ons kunnen terecht bij een bikefitter. Let op! Iedereen kan zich bikefitter noemen. Een goede bikefitting kost je een halve dag en een paar honderd euro’s.
Je ziet ook best wat verschillen in geometrie per fietsmerk. Zo zit een Canyon geometrisch een stuk sportiever dan een Jan Jansen. Hier wordt bij de aanschaf zelden op gelet. De fietsenmaker verkoopt niet alle merken fietsen en bij de vergelijking van wat hij wel in de winkel heeft staan is geometrie zelden een onderwerp. Met name de afmontage overheerst het gesprek en dat is zonde. Niet dat de asmontage onbelangrijk is, maar van een Shimano Claris kun je altijd later nog een GRX maken. De geometrie verander je niet meer.
De klassieke trekkingfiets ken je waarschijnlijk wel. Zo’n ding met voor- en achtertassen, een stuurtas en een kanozak bovenop de achtertassen.

De andere variant ken je waarschijnlijk ook wel. Dat is de stoere bikepacker met tattoos en onvermijdelijke baard op een gravelbike.

Deze paragraaf gaat over de geometrie, dus daar moet je ook het belangrijkste verschil zoeken tussen de verschillende type fietsen. Traditioneel is een trekkingfiets gericht op comfort en het kunnen dragen van bepakking. De traditionele gravelfiets was meer een combinatie van een mountainbike en een racefiets. De fabrikanten van gravelbies – en dat zijn zo’n beetje alle grote fietsmerken – hebben echter doorgekregen dat er een grote markt is voor commuters (woon-werk verkeer) en bikepackers. Dus je ziet nu bij veel merken een tweedeling in gravelfietsen met aan de ene kant de race variant en aan de andere kant de ‘adventure’ variant.
Het verschil zit om te beginnen in de geometrie. De ‘adventure’ variant is comfortabeler dan de race. De race variant is meer gericht op aerodynamica en gewicht. Een ander verschil is het aantal bevestigingspunten, maar daar later meer over.
Ook later meer over het stuur. Dat is zelfs een apart hoofdstuk. Maar een gravelfiets heeft over het algemeen een gebogen ‘race’ stuur. Dat kan ook anders. Er zijn varianten met een recht stuur.
“Uit eigen ervaring: Als een fietsverkoper aan je vraagt of je gezien je leeftijd niet een elektrische fiets wilt, loop dan de zaak maar uit. Deze verkoper heeft je bij voorbaat al niet begrepen en zal je nooit goed kunnen adviseren.”
Al wel even genoemd, maar nog niet besproken; de mountainbike. Ik heb deze bewust niet genoemd omdat de huidige trekkingfiets eigenlijk weer een afgeleide is van de mountainbike. Zoals de gravelfiets een afgeleide is van de racefiets. Ik zou geen zinnige reden kunnen bedenken waarom je een echte mountainbike zou willen gebruiken als vakantiefiets. De geometrie is erg oncomfortabel, ze hebben een veel te breed stuur, zijn uitgerust met zware en onhandige voorvorken en missen over het algemeen de nodig nokjes voor dragers en dergelijke. Alleen als je in zeer onherbergzaam gebied gaat fietsen, is het te overwegen, maar als je gewoon de Reitsma route naar Rome fiets volstrekt misplaatst.
Voorvork
De voorvork maakt integraal deel uit van je geometrie. Dat betekent dat de vork niet los te zien is van het frame. Of anders, als je een andere vork in het frame zet, wordt het gedrag van de fiets anders.
Je ziet over het algemeen 3 verschillende vormen voorvorken. De rechte, de kromme en de geveerde voorvork. De rechte is meer gericht op direct stuurgedrag, wat door sommigen weer vertaald wordt naar ‘zenuwachtig’ en de kromme zou comfortabeler moeten zijn en een iets stabieler moeten aanvoelen. Dat is dan wel heel erg afhankelijk van hoe de vork in de steel zit, of liever, in het frame.
De geveerde voorvork is een variant apart. Ooit ontstaan vanuit de motorcross in het mountainbiken om de wegligging te verbeteren, maar bij de meeste vakantiefietsers meer gezien als een stuk comfort. Over het algemeen zijn de geveerde voorvorken op vakantiefietsen van belabberde kwaliteit en voegen ze alleen gewicht, instabiliteit en irritatie op. De vering zit echt tussen de oren. Als je toch heel graag een geveerde voorvork wilt, zoek dan een variant uit die in de betere MTB fietsen wordt gemonteerd en kijk of die in jouw frame past. Een goede geveerde voorvork is op lucht, is instelbaar op jouw gewicht, is uit te schakelen (lock) en kost honderden euros.
Bevestigingpunten
Een frame moet verschillende bevestigingspunten hebben voor:
- de bagagedrager (achtertassen)
- de lowrider (voortassen)
- de bidonhouders (minimaal 2)
- de standaard
- de buistas
- de spatborden
- de remmen (velg of schijf)
Als je – inmiddels ouderwets – gaat bikepacken kun je zonder alle bovenstaande bevestigingspunten (zie foto van gravelfiets). Er zijn natuurlijk systemen om dit allemaal te omzeilen. Die hebben allemaal hetzelfde bezwaar: Ze zijn minder stevig en stabiel.
Voor een tocht van meer dan een week zou ik toch een paar achtertasjes overwegen. Daar kan een hoop meer in en het rijdt een stuk fijner dan zo’n ‘zadeltoetertas’. Op de voorvork van veel gravel- en zeker trekkingfietsen zitten nokjes voor een voordrager. Daar heb je allerlei klassieke en ‘adventure’ achtige oplossing voor. Die nokjes mogen eigenlijk niet ontbreken. De nokjes voor de bidons spreken voor zich en iedere serieuze fiets heeft die ook. De nokjes voor een buistasje zijn handig en ontbreken (te) vaak bij trekkingfietsen. Een buistasje kan een handig alternatief zijn voor een stuurtas.
De nokjes voor een standaard ontbreken dan weer steevast bij een gravelfiets. Ik heb alleen een Ridley kunnen vinden die deze voorbereiding daadwerkelijk heeft. Er zijn natuurlijk genoeg standaards te krijgen die je op het frame kunt monteren (dus zonder de nokjes), maar als je schijfremmen hebt – en die heb je – dan zit de achterrem in de weg. Gelukkig is er weer een standaard die je aan de rechterkant van de fiets kunt monteren, maar dat is wel even wennen. Hierbij dus een oproep aan de fabrikanten van ‘adventure’ bikes om ook nokjes voor een standaard op te nemen.
De keuze
De keuze is aan jou. Dat klinkt wellicht een beetje flauw, maar er is voor mij geen overtuigend bewijs te vinden waarom je voor een trekking of een gravel variant zou moeten kiezen. Wel zou ik je aanraden om aluminium variant te kopen met voldoende bevestigingspunten voor dragers en andere onderdelen.
Een gravelfiets is iets lichter en ziet er – zeer persoonlijk – stoerder uit. Je ziet over het algemeen meer jonge mensen op een gravelfiets rijden en meer mensen van zekere leeftijd op een trekkingfiets. De trekkingfiets is over het algemeen wat stabieler en zwaarder, maar is helemaal gericht op meerdaagse trektochten. Dat verschil is echter met de komst van de ‘adventure’ gravelfiets gereduceerd tot wat extra nokjes voor een standaard.
Het Frame – De Nabeschouwing
Zoals eerder aangeven, de nabeschouwing is voor de echte die-hards. Hier wordt het toch wat techie en nerdie. Best kans dat je snel afhaakt. Dat is helemaal niet erg. Ga dan snel op zoek naar de knop onderaan deze pagina voor het volgende onderwerp.
Geometrie
Belangrijke begrippen bij de geometrie van de fiets zijn ‘Stack’ en ‘Reach’. Ik heb hierzelf al eens een artikel aan gewijd, maar ik vind de uitleg in de YouTube video van MyVeloFit ook heel goed.
Het gaat bij de vakantiefiets wat mij betreft over het comfort van de fiets en niet zo zeer over de aerodynamica. Vaak zit je een hele dag op je fiets, je doet niet mee aan een wedstrijd en je wilt ook nog wat van de omgeving zien. Het is dan niet lekker om helemaal voorover over je stuur gebogen te liggen. Aan de andere kant zie je veel (oudere) fietsers bijna in verticale positie op hun fiets zitten. Dat is ook niet aan te raden, want dan vangt je rug alle klappen van hobbels en oneffenheden in de weg op. Het is die positie ook lastiger je kracht over te brengen op je pedalen, dus bij een eventuele klim heb je er ook last van.
Dus in mijn optiek de juiste positie op een vakantiefiets is licht voorover gebogen. Een vuistregel is dat je nog goed in staat moet zijn om je armen te buigen (knik in de ellebogen), maar als je de armen volledig strekt je niet volledig verticaal komt te zitten. Hoever je voorover gebogen wilt zitten is een persoonlijke voorkeur. Ik zit wat meer voorover dan Madeleine. Dat heeft ook te maken met het feit dat ik aan een racefiets gewend ben en Madeleine niet.
Wat je zeker wilt voorkomen zijn blessures. Natuurlijk kan een bikefir daarbij helpen, maar er is ook wel een aantal aspecten waar je zelf rekening mee kunt houden.
Ten eerste is dat eventuele pijnlijke schouders of ellebogen. Dat duidt erop dat je teveel met gestrekte armen zit, je de klappen opvangt met armen en schouders en dat gaat op den duur zeer doen. De beste houding is met licht gebogen armen je stuur losjes vasthouden. Dat vergt wel wat van je core, maar dat is trainbaar. Een stuur die je op verschillende manieren kunt vasthouden – en zo je Grip-Reach veranderdt- kan hierbij heel goed helpen.
Een ander probleem kan de nek vormen. Als je in een soort Triatlon houding over je stuur ligt en continue op moet kijken om niet tegen weer een prachtig monumentaal paaltje aan te rijden, dan vergt dat veel van je nek. En bij het opkijken span je de nekspieren aan. een hobbel in de weg komt dan extra hard aan. Een beetje een whiplash achtig effect.
De laatste, minder voorkomende, blessure is zadelpijn. Die kan ontstaan doordat je positie op je zadel niet juist is. Te ver voorover of te rechtop. Meestal ligt zadelpijn aan iets anders, dus dat is niet het eerste waaraan je denkt.
Wat je zeker moet voorkomen is je Reach aanpassen door middel van je zadelpositie. Je kunt je zadel naar voren en naar achteren schuiven, maar die optie is er niet om aan je Reach te sleutelen. Deze optie is er om de juiste hoek tussen je heupen en de Bottom Bracket te creëren. Dit heeft met de optimale krachtoverbrenging te maken, maar meer nog voor de amateur fietser met wel of geen knieblessures. Een goede fietsenmaker meet dit op en stelt het zadel in. Blijf daar dus vanaf en sleutel aan je Reach door middel van je stuurpen (stem).
Op een trekkingfiets is een zogenaamde ‘zoompen’ een goede optie om de juiste Stack en Reach te krijgen. Het ding heet zo, omdat de eerste van het merk Zoom was, maar feitelijk is het een verstelbare stuurpen. Ik moet er direct bij zeggen dat die dingen niet bedoeld zijn om het stuur op ooghoogte te stellen om in een soort van barkruk houding op je fiets te kunnen zitten. Als je fiets helemaal op jouw maat is, dan heeft de stuurpen een horizontale positie (zie video).
Dus de andere kant op geredeneerd, als jouw fietsenmaker hele rare fratsen moet uithalen om de fiets op jouw lichaam aan te passen, is het misschien niet de goede fiets voor jou. Het kan ook best zo zijn dat je door de Stack en met name de Reach verhouding van het ene merk een maat L moet hebben en bij de andere een maat M. Zelfs binnen een merk kan dat zo zijn. Als je een Koga Colmaro vergelijkt met een Koga Worldtraveler Classic, kan daar zo maar een maatje tussen zitten.
Bevestigingspunten
Zorg dat ie er niet mee nokt
Zorg er voor dat de nokjes op je frame aan de bovenkant van je achtervork (bij je vorkbrug) aan de buitenkant of aan de binnenkant zitten en niet aan de voorkant (zoals bij de Specialized Diverge). Het beste (meest stabiel) is een bevestiging van de bagagedrager aan de buitenkant van de achtervork. Nokjes aan de voorkant van de achtervork zijn bedoeld voor een eventueel spatbord, niet echt voor de montage van een bagagedrager. De positie van de nokjes is dan niet ideaal om de krachten op te vangen die bij een bagagedrager horen.
Soms zijn er wel nokjes bij de vorkbrug aanwezig en zitten ze ook nog goed, maar zijn ze vergeten iets te bedenken bij de achteras om de drager te bevestigen. Er zijn dan wel weer speciale sets voor uitvalnaaf of steekas te krijgen waarmee je dit kunt oplossen, maar ideaal is het niet.
Helemaal van het padje
Zeer specifiek voor je frame is het derailleurpadje. Een stukje ijzer waarmee je derailleur vastzit op je frame. Als dat verbindingstukje een geheel zou vormen met je frame, dan zou je onmiddellijk een een probleem hebben als je een ongelukje zou hebben met je derailleur. Nu is je padje verbogen en niet je frame. Het padje is ook van zachter metaal, zodat je padje verbuigt en niet je frame of je derailleur. Een fietsenmaker heeft ook een derailleurrichter. Die buigt het padje feitelijk in een positie waarmee je derailleur weer recht hangt. Aan te raden is om na te vragen welk padje jij op je fiets hebt en een reserve op voorraad te hebben of zelfs mee te nemen op je fietstocht.
Derde bidonhouder voor gereedschap
Vaak hebben fietsen een derde mogelijkheid om een bidonhouder te monteren. Die zit dan aan de onderkant van je schuine buis. Als je van jezelf wat minder dorstig bent of je hebt zo’n bidonhouder aan het stuur, dan is het een idee om deze derde bidonhouder te gebruiken om een gereedschapsbidon op te bergen. Voor een drinkfles is het toch al niet een fijne positie, want er spat veel vuil tegenaan en gereedschap is zwaar en dus kun je dat beter niet in je tas hebben. Hoewel de extra ruimte in je tas meer een overweging is dan het daadwerkelijk gewicht van je gereedschap. Zo eerlijk moet ik dan ook wel zijn.
Apeldoorn – Parijs ~ Etappe 11 (Parijs) [33]
Parijs. Stad van de romantiek, stad van de Eiffeltoren en de Notre-Dame fumée. De stad waar Édith Piaf geboren is, de stad met illustere theaters als de Folie Begère en de Moulin Rouge. De stad van Stade de France en Roland Garros, maar bovenal de stad waar ieder jaar ongeveer 150 man zichzelf en hun fiets uit elkaar trekken op de kasseien van Avenues des Champs-Élysées. Iedere sprinter wil hier winnen, iedere klassementsrenner wil hier zijn geel tonen, iedere wielertoerist wil de heilige grond van het belangrijkste criterium in de wielersport onder zijn wielen gevoeld hebben.

Parijs zit vol met geschiedenis. Het zit zelfs zo vol dat Joke Radius er 3 dagtochten op de fiets voor nodig denkt te hebben om ons het meeste van Parijs te tonen. Die tijd hebben we niet, dus kiezen wij een deel van de groene route die ten noorden van de Seine ligt.
Het is bewonderenswaardig hoe Joke van iedere steen een bezienswaardigheid kan maken. Je staat om de 10 meter stil, omdat er wel weer wat te zien moet zijn. Als je aan het einde van de straat stopt om de volgende aanwijzing te lezen, heb je al weer 3 belangrijke relikwieën gemist. We besluiten dan ook maar dat het okay is als we wat missen. Sommige dingen willen we zien, andere zijn mooi als we ze toevallig tegenkomen.
De eerste foto wordt geschoten op Rue de Belleville 72. Ons appartement zit aan een zijstraatje van de Rue de Belleville en wij kennen de straat met name van de Monoprix voor je dagelijkse boodschappen en het lokale bistrootje waar je goed kan eten. Maar nummer 72 is speciaal. Hier werd op 19 december 1915 Édith Piaf geboren. Niet in het huis, maar op de trappen van het huis.

De groene tour begint bij Les Halles, wat in vroegere tijden een voedselmarkt was, in de jaren 70 omgetoverd werd tot winkelcentrum, in de jaren 90 verpauperde, maar wat niet in die tijd, en nu is gerestaureerd tot architectonisch hoogstaand…….. winkelcentrum.
Op het plein staat naast een onooglijke kerk een fraai beeld van Henri de Miller dat luistert naar de naam L’ Écoute.

Al snel missen we de toren van Jan de Onbevreesde, een paar art nouveau serres en een brasserie met een interessant interieur. Er is echt teveel om op te noemen, maar voor ons gevoel ook teveel om te bekijken.
Dat is misschien ook wel nodig, want na een kilometer of 10 is de conclusie dat de straten van Parijs allemaal op elkaar lijken. Dat is wellicht vloeken in de kerk, maar daar heb je er hier genoeg van. Het straatbeeld is typisch wat je van Parijs kent, maar het lijkt met contol-c en control-v verderop zo neer te zijn geplakt. De ene straat is wat beter onderhouden dan de ander en soms wordt het straatbeeld wat ontsierd door een jaren 70 betonkolos, maar eigenlijk zit er weinig variatie in de winkels en woningen. Het vormt het decor voor de pracht en praal van bouwwerken uit het verleden en het heden. Het heeft een beetje het effect alsof je Amsterdam-Zuid over heel Amsterdam zou uitsmeren.
Het komt wellicht door meneer Haussmann, die in het begin van de 19e eeuw het Middeleeuwse Parijs heeft gesloopt en er een moderne stad op heeft gesticht. Op de belangrijke monumenten na, is bijna alles gesloopt en daarom vind je in Parijs ook nog maar weinig terug van vestingmuren of oude verdedigingswerken. Het doet een beetje aan Barcelona denken, maar dan met een iets ander sausje.

De Arc de Triomphe is de rode draad in deze tour. Steeds komen we het ding tegen. De eerste keer neem je er nog een foto van, maar pas als we aan het einde van de rit de Arc zien vanaf de Champs-Élysées kan ik niet nog een foto weerstaan.

Parijs is in verbouwing en dat kun je wel zien. Volgend jaar is hier de Olympische Spelen en dan moet alles er natuurlijk tip top uitzien. Verschillende keren moeten we de route een beetje verleggen of staat ‘het object’ in de steigers. Zo ook bij de Place du Maréchal de Lattre de Tassigny. Het is aan de kant van Avenue Foch opengebroken, waardoor de enige nog authentieke Metro ingang van Parijs er een beetje verloren bijstaat tussen de rood-wiite afzetting en de oranje hesjes van de wegwerkers. Alsnog is het een plaatje.

Hier besluiten we ook de groene route wat in te korten. Het miezert lichtjes en onze monumentenspons is ook al aardig vol. Gelukkig zijn er allemaal ‘Ikea’ doorgangetjes waarmee je de route naar believe kunt aanpassen.
We zien nog een paleis van de achterkant waarvan ons niet duidelijk wordt waarom het er staat en even later hetzelfde paleis maar dan van voren. Dan beseffen we ook waarom het daar staat. Het heeft een prachtig uitzicht op de Eiffeltoren, wat toch een indrukwekkend bouwwerk blijft. De vraag is alleen wat er eerder was, het paleis of de toren.

Winkelstraatjes met dure kledingmerken waar de winkel een parkeerplaatsje vrijhoudt voor belangrijke klanten, zijn niet te vermijden in Parijs. Het is ook de stad van de blingbling en het gezien worden. Voor mensen die iets minder besmet zijn met het Gucci virus, is het een prachtige poppenkast.
We komen terug bij Les Halles en moegestreden keren we huiswaards. Eigenlijk het zwaarste deel van de route, want het loopt flink omhoog. Tijd voor een koude cola in ons beschutte stulpje niet ver van waar Édith het levenslicht zag. Een vermoeiende dag, maar ‘ je ne regrette rien‘.
Apeldoorn – Parijs ~ Etappe 10 (Saint-Witz – Parijs) [68]
De extraverte stedentripper wordt geadviseerd de volgende alinea over te slaan.
Wat een drukte, wat een chaos, wat een berg door elkaar krioelende mensen op een veel te klein stukje aarde. Wat een ergernis, wat een stress van voorbij schietende elektrische stepjes en poserende invloedwensers voor bouwwerken waarvan ze de historische betekenis moeten Googelen omdat ze tijdens Geschiedenis hun nagels zaten te vijlen. Wat een verzameling aan stadscampings onder bruggen en op verscholen kades met niet al te kansrijke Parijsenaren die voor hun onderkomen aangewezen zijn op een tent. Waarom lopen er duizenden mensen rondom een ijzeren bouwwerk zich af te vragen waarom ze er tegenwoordig niet meer gewoon bij kunnen, maar een kaartje moeten kopen voor het ‘Eiffelpark’. Waar vind je rust in deze heksenketel, in dit superdiverse mierennest van mensen die klaarblijkelijk de stad verkiezen boven hun vrijheid, die niet beter weten dan dat de wereld ruikt naar een mengeling van Kebab en urine, en die geen idee hebben dat bomen ook lukraak door elkaar kunnen staan en niet altijd netjes in een rij om een stenen kolos op te sieren.

Voor ons introverte rustzoekers is er ‘Le Grand Maulnes’. Een verscholen B&B even buiten het drukke centrum van Parijs. In een keer ben je ver weg van de drukte en kun je bijkomen in een heerlijk appartement of gewoon op het terrasje in de tuin. Madeleine is aardig bedreven in het vinden van dit soort pareltjes en ik moet zeggen dat ze zichzelf weer heeft overtroffen.







Vanochtend zag het er helemaal niet zo idyllisch uit. Overnachten in een parkeerplaatshotel is best okay, maar de kenmerkende DDR uitstraling van de betonnen complexen hebben de charme van een transformatorhuisje.
Maar het Campanile hotel waar we verbleven was niet slecht. De bedden waren prima en er was zelfs airco. Het ontbijt was boven verwachting en de service niet gek. Onze fietsen werden keurig gestald in een technische ruimte en ze schonken er koude cola en fris Weiss bier.
De eerste kilometers waren vandaag op zijn zachtst gezegd bijzonder. We wisten dat we in een snelweghotel zaten, maar toen we de tolpoortjes voor ons op zagen doemen, dachten we even dat we ook daadwerkelijk de Péage op zouden rijden. Er was vlak voor het tolhuisje echter nog een afslag naar links die voorkwam dat we met onze vakantiefietsen op de Autoroute du Nord terecht waren gekomen.
Het landschap is in deze streek niet bijzonder enerverend en de lucht wordt continue vervuild door overvliegende jumbojets. Soms ruik je ze zelfs. We reden half op mijn Wahoo en half op het boekje van Paul Benjaminse omdat de route en de GPX niet helemaal overeen kwamen. Bij Nantouillet ging het mis.

We kwamen een wegafsluiting tegen, die duidelijk aangaf dat we er niet door konden. Maar eigenwijs als we zijn, hielden we koers. We waren wel vaker blokkades tegengekomen die inderdaad onoverkomelijk waren voor autoverkeer, maar voor fietsers niet veel meer om het lijf hadden dan 20 meter lopen. Tenzij er natuurlijk ergens een brug uit ligt. En dat was precies wat hier aan de hand was. We konden Saint-Mesmes zien liggen, maar er was geen doorkomen aan.

Dat betekent dan dat je met opgeheven hoofd je verlies moet pakken en terug moet keren naar waar de Fransen hadden aangegeven dat je een ander pad moest volgen. Op Strava ziet er altijd zo ‘Messy’ uit.

Nadat we via Thieux en Compans de weg naar Gressy weer gevonden hadden, reden we na een stukje MTB parcours vrij snel tegen hét fietspad aan. Hét fietspad zou ons in 21 kilometer langs een kanaal naar de binnenstad van Parijs leiden. En dat deed het feitelijk ook, al waren we door ‘langs het kanaal’ wel op het verkeerde been gezet. Dan denk je toch aan een redelijk vlak parcours, misschien iets stijgend omdat water ook van A naar B moet stromen, maar niks heftigs. Helaas hadden de Franse parcoursbouwers daar andere ideeën bij. Het kanaal ligt verdiept en er is niet al teveel ruimte langs het kanaal. Het voormalig jaagpad werd gebruikt als voetpad en de fietsers werden steeds met steile klimmetjes omhoog gestuurd. Dat zorgde toch best voor wat zuur in de benen.

Eenmaal in Parijs zelf wordt het steeds gekker. Er zijn fietspaden, maar iedereen doet maar wat. Door rood rijden komt vaker voor dan door groen en links inhalen is van een vorige generatie. Stepjes, racefietsen, bakfietsen en zelfs moderne Riksha’s scheuren door elkaar heen. Voetgangers gooien zich er met een schijnbare doodswens voor, hopend dat de fietser uitwijkt of remt. Dat laatste is eigenlijk geen optie.

Maar ik moet het de Fransen nageven. Overal in Parijs vind je fietspaden. Meestal zijn het met lijnen aangegeven stroken op de weg waar niemand zich een hol van aantrekt, maar meer dan eens is het een gescheiden fietsstraat waar je in betrekkelijke rust en met verhoogde kans op overleven overheen kunt. Als je af en toe een Koreaan op een huurfiets ontwijkt, ben je okay.
Een dergelijk fietspad loopt er ook langs de Seine. Als je niet continue hoeft op te letten of je misschien door een of twee taxi’s wordt overreden, heb je de tijd om de omgeving in je op te nemen. Het eerste bekende gebouw dat ik zie is de Notre Dame. Zeer herkenbaar door de steigers die er staan na de brand in 2019.
Als je het fietspad maar blijft volgen kom je vanzelf bij de Eiffeltoren. We gaan op zoek naar een plekje voor de ‘eindfoto’, want een rit in lijn met aansprekende bestemming verdient een eindfoto. Ergens om een stukje gras vinden wij een Brabantse bereid een foto van ons te maken. Veel later, tijdens ons diner in het lokale bistrootje van een van de quartiers van het 19e arrondisement, verzuchte Madeleine dat het eindpunt wel bij iets minder opzichtig en druk dan de Eiffeltoren had mogen zijn. Maar dat is makkelijk praten als je er al eens een keer op hebt gestaan.
Het is nu tijd om wat verkoeling op te zoeken, want overal in Frankrijk waarschuwen ze voor een hittegolf. Het is hier met een ventilator warm, maar wel te doen. Morgen maar meer verder kijken. We hebben nog 3 leuke dagtochten door Parijs van Joke Radius op de rol staan. Ik hoop dat het te doen is, want fietsen door Parijs is wel een avontuur.

Apeldoorn – Parijs ~ Etappe 9 (Attichy – Saint-Witz) [65km]

Laten we het vandaag eens chronologisch doen. De foto boven is hoe we er vanochtend bij stonden rond een uur of half acht. We hebben wel eens rotter gestaan. Attichy is wat ons betreft al helemaal een geslaagde stop. Naast de braderie en de live muziek van gisteravond is het sanitair prima. Zo is er bijvoorbeeld weer eens WC papier en is er zeep om je handen te wassen en een handdroger. Een WC bril ontbreekt dan weer. De camping heeft ook 2 wasmachines en 2 drogers. Het zou dus ook een prima stop voor een rustdag kunnen zijn. Daarnaast heeft Attichy een kruideniertje en een bakker. En die laatste verdient een extra vergulde vermelding. Wat een lekker brood bakt deze man. We hadden een baquette en een pain de campagne en beide waren uitmuntend.
We hadden gisteren besloten wat vroeger op te staan, zodat we wat meer kilometers in de ochtend konden maken. Dit in verband met onze ervaring dat het ‘s-middags wel wat te warm is voor het mooie en je beter in de koelte van de ochtend kunt rijden.

De ochtendetappe bestond uit een afwisseling van bos en – vaak schattige – dorpjes. Het eerste dat we tegen kwamen was een megalomaan Disney kasteel bij Pierrefonds. Uiteraard weer met een Disney achtig verhaal van een favoriete maîtresse van de Franse koning die op mysterieuze wijze kwam te overlijden vlak voordat de Franse koning met haar kon trouwen. Uiteraard leidde dit bij de Franse haantjes weer tot een halve oorlog, waarbij de vader van de overleden maîtresse van de Franse koning zijn kasteel verloor aan diezelfde Franse koning. Als je me nog volgt. Ik vind Funda toch een stuk makkelijker.

St. Jean-aux-Bois is een prachtig voorbeeld van een schattig dorpje. Ik classificeerde het als Zuid-Frans, Madeleine gaf het meer de indicatie Engels. Maar een schattig dorpje is het zeker. En zoals zo vaak in deze streek ergens een groot landhuis, een kasteel, een abdij of een ander soort psychiatrische inrichting uit vervlogen tijden.

In hetzelfde St. Jean vind je een oude wasplaats waar in vroegere tijden de was werd gedaan. Deze wasplaats is volledig overbodig geworden door de wasmachines op Camping Municipal Attichy en de wasmachines die je steeds vaker bij de supermarkt ziet.
Ergens midden in een weiland ligt een oud Romeins theater. Geen enkel idee waarom het nu precies daar ligt. Er lijkt niet direct een oude Romeinse stad of zelfs maar een nederzetting in de buurt. Ooit zal het iets bloeddorstigs zijn geweest met Gladiatoren, leeuwen en veel dood en verderf. Nu ziet het er een beetje uit als een eco theater. Kun je heel ‘sustainable’ met je reet op het gras zitten.

Veel verder in Montepilloy kwamen we een herinnering aan Jeanne d’Arc tegen. Ons Frans is niet geweldig, maar na wat puzzelen kwamen we erachter dat Jannie hier een nacht was verbleven nadat zij de Engelsen had verslagen. Alsof je een tegel op je huis plakt met ‘Gordon was here’ als je een concert van de Toppers hebt overleeft.

Onze overnachting is in een hotel vannacht. En niet zomaar een, het is een heuse Campanile. Niet dat we geen keuze hadden, want hotels vertonen hier kuddegedrag en klonteren als schapen bijeen. Bij het Novotel om de hoek hadden we een zwembad gehad en we hadden ook een zelfreinigend toilet kunnen hebben als we voor het F1 concept hadden gekozen. Dit alles speelt zich af in Saint-Witz (hier Saint weer volluit en bij St. Jean dan weer afgekort. Ik word gek van die Fransen). Dat ligt aan de snelweg en tactisch ten opzicht van de luchthaven van Parijs en het pretpark van Asterix & Obelix.
Met andere woorden, gisteren was ons laatste dagje op de camping en ons laatste nachtje in de tent. Vanaf nu alleen nog maar hotels en een B&B. Of zoals Madeleine dat noemt; “Vanaf vandaag begint de vakantie.”
Apeldoorn – Parijs ~ Etappe 8 (Laon – Attichy) [59km]
“Non, aujourd’hui seulement manger.” Hadden we eindelijk in dit godverlaten gebied een terrasje gevonden dat open leek te zijn, was dit het antwoord op mijn beleefde vraag of we iets konden drinken. Maar ze was duidelijk genoeg om niet aan te dringen, dus zwaaiden we het been maar weer over het zadel op zoek naar een volgend terrasje.

Het plaatsje Coucy-le-Château-Auffrique heeft buiten haar prachtige naam veel te bieden aan de passerende reiziger. Het is een zorgvuldig aan puin geschoten vesting, die dan weer zorgvuldig en artistiek is ‘gereconstrueerd’, zodat er zomaar horden toeristen op af zouden kunnen komen. En blijkbaar gebeurt dat en willen ze allemaal op zondag lunchen in “La Pomme d’Or”.

Maar ‘Auffrique’ is meer de uitzondering op de regel. Meestal zien we verlaten barretjes in verlaten straatjes. De gebouwen zijn te weinig ward om het ‘Bar-Tabac’ eraf te halen, laat staan enige vorm van onderhoud te plegen. Verpaupering ligt niet eens meer op de loer, het komt snel op je af.

Even verderop waren we bijna een ongenode gast op een bruiloft. Uit een ooghoek zag ik picknicktafels in de schaduw van een mooie grote boom. Ik stuurde mijn Santos het gras in, op weg naar een soort van terras, al was het zonder koud drankje, om halverwege mijn benadering erachter te komen dat er overal witte en roze bloempjes waren gestoken er een soort huwlijksprieel was neergezet en alles in gereedheid leek te zijn gebracht om bruid en bruidegom te verwelkomen. Dus ben ik in allerijl maar weer omgedraaid. En dus hadden we weer geen terrasje.
Het lukte wel bij de ‘Marie’ van Pont-Saint-Mar. Niet dat daar een ober gereed stond om ons onderkoelde Cola Zero te serveren, maar er was wel een picknickbank in de schaduw, waar ik Franse hotdogs kon maken. Een bijna ideale plek, ware het niet dat het aan de voet van de derde klim van de dag lag.
Klimmen blijft een wonderlijk fenomeen. Er zijn er die het absoluut haten, maar wij hebben er wel schik in. Niet dat je ons tot de Vingegaards van deze wereld moet rekenen, maar klimmen is geen straf.
Klimmen hebben we ook moeten leren. Je wil als vlaklander snel te hard naar boven en dat gaat niet als je geen Tadeij van voren heet. En zeker niet met al die bepakking. Je moet het gewoon heel rustig aan doen. Een simpele tip, maar oh zo moeilijk om uit te voeren. Slotsom; tot 7% is het leuk, daarboven wordt het afzien. Maar ook dat kan leuk zijn, vraag me niet waarom.
Met de warmte is de middagetappe meestal wat lastiger dan de ochtend editie. Ook lijkt het landschap ‘s-ochtends steeds aantrekkelijker dan ‘s-middags. We proberen er dus steeds voor te zorgen dat we de meeste kilometers voor de lunch hebben gemaakt.

De Camping Municipal in Attichy is een feest. Het ligt best leuk aan een visvijvertje en het toiletgebouw is een positieve uitschieter in ons sanitaire leven. Maar het feest wordt gecompleteerd door een heuse braderie. Ineens blijkt er toch nog leven in Noord-Frankrijk te zitten. Campinggasten vermengen zich met lokalen en de campingeigenaar genereert inkomen door de verkoop van hamburgers, cola en lokaal bier.
Als je aan een willekeurige Nederlander vraagt wat een Fransman drinkt, dan denk ik dat ‘wijn’ het meest gehoorde antwoord zal zijn. En toch heb ik in Frankrijk nu al twee keer beter bier gedronken dan in België. Gisteravond was het hoogtepunt. Een lokaal in Laon gebrouwen meesterwerkje van brouwerij BMC.

En wederom vallen we met onze neus in de boter. Een geëmigreerd stel uit Engeland brengt gevoelige country songs ten gehore. Het is misschien te kneuterig voor woorden, maar het is ook wel een soort gezellig.

Als laatste wil ik jullie de avondetappe van de rustdag niet onthouden. Laon, of ‘Loun’ zoals de Fransen het uitspreken, is een stad in twee delen. Benden is de schoonheid bedenkelijk, maar bovenop de berg in de oude stad is het prachtig en gezellig. We waren er rond Franse etenstijd en dus zaten de terrasjes vol en was er helaas geen plaats voor de slechts drinkende passant. Maar dat bracht ons ertoe een wandelingetje te maken met wat aardige foto’s tot gevolg.


Attichy

De plaats verschijnt in de geschiedenis onder de naam Attipiacum villa (met de oprichter van een Gallo-Romeinse Attipius). Clotaire eerste het verhogen van het naar Soissons, de hoofdstad, tot 560, een klooster ter ere van St. Medard, bisschop van Noyon, de plechtige processie die het lichaam van de prelaat nodig is om zijn nieuwe huis, het oversteken van de Aisne te Attichy.
Het land was eigendom uit de 12e eeuw, het huis van Montmorency. Mathieu ik, Constable van Frankrijk, verlaten tot 1132, de abdij van Premontre, sommigen die wilden weiland zijn kasteel. Hij stemde toe, als heer, in 1137, die van Hadvide Attichy donatie aan dezelfde abdij, vrijgevigheid gevonden door Gorlin, bisschop van Soissons te genezen, en bevestigd door koning Lodewijk de Dikke. De kuur was geplaatst onder het aanroepen van St. Medard.
Mathieu in de tweede acte van 1202, erfde het landgoed in 1160. Hij gaf zijn titel en zijn land op de vijfde Bouchard de Montmorency, zijn oudere broer.
Na een opeenvolging van heren, was de aarde verdeeld. Gevonden in de titels van de 16e eeuw Bochart, de Mazancourt, Sacqueville titels van een aantal van Attichy, het grootste deel van het landgoed behoorde tot de heren naam Hacqueville, en werd afgestaan door hen aan de Marillac Marshal.
Attichy bleef in het huis van Tremouille tot de revolutie van 1789.
Het kasteel was enorm, omringd door sloten, samen met uitgebreide tuin, park, water …
Het landgoed werd opgebroken in 1789, en het kasteel, na het doorlopen verschillende handen, werd gesloopt rond 1796.
Het grondgebied van Attichy bevat, als het hele district, vele overblijfselen van Keltische en Romeinse tijd. Op 29 november 1838, werd ontdekt in dezelfde stad, een sarcofaag gemaakt van stenen gebracht, van waaruit we terugtrokken nietjes en keizerlijke medailles.
Apeldoorn – Parijs ~ Etappe 7 (Chimay – Laon) [99km]
Mannen, je hebt er ook eigenlijk niets aan. Komen ze na 99 kilometer fietsen op de camping aan, bieden ze spontaan aan om naar de supermarkt te fietsen. “Ga jij maar lekker zitten schat, ik haal de boodschappen wel.” Het lijkt sympathiek en sociaal, totdat je er achter komt dat ze dat alleen maar aanbieden om de 100 vol te maken, zodat ze kunnen werken aan hun Eddington score.
Iedere zichzelf respecterende wielrenner heeft een Eddington score van 100+. Dat betekent kortweg dat je 100 ritten hebt gereden van minimaal 100 kilometer. Mijn Eddington score is een schamele 88. Deze schande probeer ik uiteraard zo snel mogelijk weg te poetsen, maar dat gaat nog wel even duren. Ik moet na vandaag nog 36 ritten van 100 kilometer maken.
Voor de route van Chimay naar Laon zijn nogal wat alternatieven en varianten. Dus hadden we gisteren wat keuzestress. Het origineel kent ‘maar’ 84km, maar heeft geen accommodatie, winkel of koffiestop onderweg en ging daarbij de laatste 20km door saai landschap.

Het alternatief had meer te bieden, zowel qua landschap als ravitaillering, maar is 14km langer. Dan kom je dus dicht tegen de 100km aan voor de dagafstand. Gezien de matige voorbereiding misschien niet helemaal verstandig. Een camping in Marle als uitwijkmogelijkheid op 75km deed ons besluiten toch voor het alternatief te gaan. Dan konden we in Marle wel beslissen of we door zouden rijden of niet.

Met het besluit in Marle om door te rijden, wordt deze etappe de koninginnerit van deze vakantie. Niet alleen qua aantal kilometers, maar ook gezien het typisch Noord-Franse glooiende landschap. Aan het einde van de dag bleken we 850 hoogtemeters te hebben gemaakt. Het is nog geen Zwitserland, maar we voelden ze wel.
Marle moet best een leuk plaatsje zijn, maar het ligt net zoals Laon op een heuvel. En heuvel is misschien niet eens een goed woord, want dat klinkt glooiend en geleidelijk. Dit is gewoon een puist in het landschap waarop ze vroeger met oog voor de veiligheid een nederzetting op hebben gebouwd. De weg steil omhoog naar het centrum van Marle wordt door ons, maar ook door de route, vermeden zodat we niet zullen weten hoe leuk Marle is.
De belofte van ravitaillering bleek loos. Alles wat maar in de buurt van een koffiestop kwam, was dicht. Vaak was deze status van permanente aard. Zo ook in Plomion, waar op zowel het restaurant als de lokale supermarkt een bordje ‘a vendre’ prijkte. Tussen Chimay en Marle is er dus ruim 70km niks. Gelukkig hadden we daar rekening mee gehouden en hadden we de lunch al meegenomen uit Chimay. Bij een vriendelijke vrouw in een voortuin hebben we gevraagd of we de bidons bij haar konden bijvullen en zij kwam met een heerlijke fles gekoeld water aan. ‘Merci’.

In Jeantes reden we langs een leuk exemplaar van een achtergebleven stationsgebouw. Die komen we regelmatig tegen. Frankrijk ligt vol met oude spoorlijntjes. Vaak worden deze omgetoverd tot fietspad, maar hier dus blijkbaar niet.

In Aulnois sous Laon hoef je niet bang te zijn de weg kwijt te raken. Aanwijzingen naar de verderop gelegen dorpen staan op de ‘Marie’ geschilderd.
Laon zie je van verre aankomen. Het landschap wordt steeds vlakker en het stadje steekt er met kop en schouders bovenuit. Het zorgt voor een mooie foto als we Laon naderen.

Na 99 kilometer bereiken we moe en verhit de camping. Vooral Madeleine heeft het even zwaar. Ik bied daarom – inlevend als ik ben – aan om de boodschappen te doen. Morgen een welkome rustdag.
Laon

De stad is een van de vele in Noordwest-Europa met de Romeins-Gallische naam Lugdunum (heuvel, hof, hoogte, vesting, gewijd aan de Keltischegod Lugh). Laon werd al voor de middeleeuwen als vestingstad door Galliërs gebouwd op een alleenstaande heuvel in Thiérache. Het werd in de 5e eeuw door toedoen van Remigius van Reims een bisschopszetel. Al sinds 580 (stichting van de Sint-Vincentiusabdij, vanaf de 10e eeuw benedictijns) en 641 (stichting van het benedictijner klooster gewijd aan Johannes de Doper) had het christendom hier belangrijke bolwerken. Laon was in de Karolingische tijd de koninklijke residentie. In de oude stad binnen de vesting staan de gebouwen uit de middeleeuwen nog; de 12e eeuw was een tijd van voorspoed en nieuwbouw. In de 11e en 12e eeuw kreeg Laon een belangrijke theologische school. Een van de belangrijkste geleerden was in die tijd Anselmus van Laon. Tot en met de 14e eeuw was de macht in de stad verdeeld tussen de koning, de bisschop, het kapittel van de kathedraal en de rijke koopliedenstand. In 1111 kwam het tot een uitbarsting toen de bisschop, tegen eerdere afspraken met de burgerij, extra belastingen hief. Hij werd opgejaagd, verstopte zich in een vat, werd ontdekt en op Palmzondag 1111 omgebracht. Daarna was het een eeuw lang relatief vrij rustig in Laon. In de 12e eeuw werd de stad geheel ommuurd. De bepaald pompeuze Kathedraal van Laon werd vanaf 1155 gebouwd, nadat zijn romaanse voorganger was afgebrand. Door zijn plaats op de vesting, is deze kathedraal het opvallende kenmerk van Laon geweest. Halverwege de 13e eeuw zou de stad circa 10.000 inwoners hebben gehad, van wie 2/3 in de bovenstad leefden. Daarmee was Laon een voor die tijd grote stad.
In de 14e eeuw woonde Guillaume de Harcigny, de in die tijd beroemdste arts van Frankrijk in Laon. Hij was hofarts van koning Karel VI van Frankrijk.
De Honderdjarige Oorlog ging niet onopgemerkt aan deze vestingstad voorbij. In 1358 probeerde de bisschop van de stad Laon aan het koninkrijk Navarra uit te leveren. Het complot werd ontdekt en de schuldigen werden onthoofd. In 1359 werd de stad door de Engelsen aangevallen. De aanval werd afgeslagen, maar de stad liep zware schade op. Onder andere de Sint-Vincentsabdij – met haar beroemde bibliotheek – ging in vlammen op. In 1373 was er weer een mislukte Engelse aanval op Laon, ditmaal door Jan van Gent, hertog van Lancaster. In 1411 werd de stad veroverd door het Hertogdom Bourgondië onder Jan zonder Vrees. Drie jaar later werd Laon heroverd door de Fransen onder Karel VI. In 1418werd de stad weer door de Bourgondiërs ingenomen, wier hertog Filips de Goede haar een jaar later aan de Engelsen overdroeg. Pas in het jaar 1429 kwam Laon definitief aan Frankrijk.
In de tijd van de Hugenotenoorlogen was de stad op de hand van de Heilige Liga van 1576, dus katholiek. Ze werd met succes door Spanjaarden verdedigd tegen diverse protestantse aanvallen. In de late 16e en de 17e eeuw vond weer een stadsvernieuwing plaats; er werden opvallend veel eenvoudige, hoge, dicht op elkaar staande huizen gebouwd, deels met houten gevels. Van deze oude huizen staat er vrijwel niet één meer overeind.
In 1692 liep Laon forse schade op door een aardbeving.
In 1814 vond bij Laon een veldslag plaats tussen het Franse leger van Napoleon Bonaparte en een Russisch-Pruisisch coalitieleger. Dit laatste behaalde de overwinning.
Op 9 september 1870 was er tijdens de Frans-Duitse Oorlog een tragisch incident. Franse troepen in de stad capituleerden voor de Duitsers. Een deel van de Franse soldaten was het hier niet mee eens en blies dicht bij de plaats waar de capitulatie werd ondertekend, een voorraad buskruit op. Hierbij kwamen honderden mensen, ook Franse en Duitse soldaten, om het leven. De verantwoordelijken werden door de Duitse bezettingstroepen gearresteerd en met de kogel terechtgesteld.
Gedurende de Eerste Wereldoorlog was Laon van 2 september 1914 tot 13 oktober 1918 door Duitse troepen bezet. In de stad was een van de belangrijkste Duitse hoofdkwartieren gevestigd.
Apeldoorn – Parijs ~ Etappe 5 (Namen – Dinant) [31km]

De oevers van de Maas vormen een welkome afwisseling op de kaarsrechte spoorlijntjes van gisteren. En er was direct ook meer te zien langs de route. Even stoppen voor de traditionele ‘fiets voor bezienswaardigheid’ foto en met name de vele huizen in ‘haunted horror house’ stijl hadden onze aandacht. We wilden uiteraard een foto nemen van een treffend exemplaar, maar er mankeerde steeds wat aan. Te mooi, geen torentje, te nieuw of de steen niet grijs genoeg. Dus eindigden we met helemaal geen foto.

De hele etappe was niet meer dan 30 kilometer en dat alleen nog maar omdat we de camping voorbij zijn gereden om eerst Dinant te bezoeken. Een druk toeristisch stadje aan de Maas met leuk gekleurde huisjes en een onooglijke kerk met een citadel erboven. Het contrast tussen de liefelijke huisjes langs de Maas en deze 2 grijze kolossen is treffend. Ook honderden jaren geleden was er blijkbaar in België geen welstandscommissie.

Dinant is natuurlijk ook de stad van Adolphe Sax. De man aan wie de Saxofoon zijn naam dankt. Een beetje toeristisch stadje buit dat natuurlijk uit en dus stonden er overal grote beschilderde saxofoons. Maar het is ook de reden dat Dinant nog elk jaar een jazz festival huisvest. Uiteraard weer niet als wij er zijn.

De muziek die er wel was, kwam van een straatmuzikant met een versterkte akoestische gitaar, een beatbox en een microfoon. Madeleine had uitgevonden dat ze bij Solbrun de beste crêpes van Dinant serveerden. Dus wij hadden amper een tafel op het terras van Solbrun bemachtigd, toen Assurancetourix van wal stak. En hij beheerste het spel beter dan zijn zang. Keurig 3 nummers in 3 verschillende talen en dan langs de tafels voor een bijdrage.
De crêpes smaakten er niet minder om. Als je ooit in Dinant bent, dan kan ik je zeker Solbrun aanraden.
Maar waar we natuurlijk echt voor kwamen was Maison de Leffe. Speciaal hiervoor had Madeleine maar een halve etappe ingepland. Dat stelde mij in staat om de geschiedenis achter het bekende bier op te snuiven. En natuurlijk weet je dat AB InBev haar parel niet te grabbel gooit en er dus een gelikt ‘museum’ is met proeverij en een Leffe glas als aandenken. Lekker handig op fietsvakantie. Toch is het een bezoekje waard als je in de buurt bent.
Leffe

Onze geschiedenis vindt haar oorsprong in Notre-Dame de Leffe, een abdij van Norbertijner kanunniken die in 1152 werd gesticht. De Norbertijnen leven, net zoals monniken, in gemeenschap en volgens bepaalde regels. De kanunniken hebben echter een erg open blik op de wereld en engageren zich graag voor de mensen rondom hen. Daarom stonden de Norbertijnen sinds de stichting van de abdij bekend om de bijzondere aandacht die ze besteedden aan het onthaal van gasten en pelgrims.
Voor de talrijke pelgrims die de abdij passeerden, stond de deur altijd open… maar dat niet alleen.
1240
Vanaf 1240 brouwden de kanunniken bier in Leffe. De gasten en passanten konden hun dorst lessen met een gezond en verfrissend drankje. Het was ook een moeilijke periode: de talrijke epidemieën die het Europees grondgebied in die tijd teisterden, maakten het drinkwater onveilig. Gelukkig kwam er een ideale oplossing naar voren: het brouwen van bier. Tijdens het brouwproces doodde de kooktemperatuur namelijk de microben, waardoor bier wel veilig werd om te drinken. De kwaliteit van het water is met de eeuwen heen sterk verbeterd, maar het brouwen van bier is gebleven, ook bij de Norbertijnen in Leffe.
1929
Na de gebeurtenissen tijdens de Franse revolutie lag het religieuze leven even stil. Dit gold ook voor de Leffe abdij, die bovendien in het begin van de achttiende eeuw meermaals werd verwoest. In 1902 kwam de abdij tijdelijk terug in handen van Norbertijner kanunniken uit Frankrijk. Zij hebben de kerk en de abdij heropgebouwd. In 1929 werd de abdij van Tongerlo door een brand verwoest, waardoor de geestelijken uit de Kempen werden ondergebracht in de Leffe abdij. Na de heropbouw van de abdij in Tongerlo werd er beslist dat een deel van de kanunniken definitief in Leffe zouden blijven.
1952
In 1952 besloten vader-abt Nys en brouwer Albert Lootvoet de brouwtraditie van de abdij nieuw leven in te blazen. Door de jaren heen is er een uitgebreid assortiment van Leffe-bieren geboren en aan bierliefhebbers geserveerd.

De camping van vandaag is er weer een om in te lijsten. Het is weer een reis in de tijd. Douchen met een jeton en je eigen toiletpapier meenemen als je moet. De camping vormt een harmonieus geheel met haar vervallen omgeving. We staan wel met uitzicht over de Maas. Het uitzicht waar in vervlogen tijden de rijken per trein naartoe reisden om zo tot rust komen in een van de luxueuze hotels langs de rivier. Lang vervlogen tijden.

Apeldoorn – Parijs ~ Etappe 4 (Diest – Namen) [76km]
De wekker wekte ons vanochtend ruw uit onze slaap. Te korte slaap. De trekkershut was gisteren in de zon zo opgewarmd dat wij de gehele nacht nog konden genieten van een sauna. Tel daar het met plastic beklede matras bij op, de terreur van een militante mug en dan heb je alle ingrediënten voor een zweterige en slapeloze nacht.

Het tekort aan nachtrust hielp niet om onze eigen domme fout soepel te incasseren. Welke dag is het vandaag? 15 augustus en in alle Paus adorende landen is het dan Maria ten Hemelvaart. En ook in België betekent dat: winkels en veel restaurants zijn dicht vandaag en de spoorwegen rijden een zondagsdienst. Vrij onhandig als je op de stoep van de supermarkt staat om een heerlijk ontbijtje te scoren. Helaas pindakaas. Er zat niets anders op dan de tanden in een paar dagen oude, al niet de allerlekkerste, krentenbollen van de Jumbo te zetten die nog in de voorraadtas zwierven. Eerlijk zullen we alles delen, ieder twee krentenbollen en fietsen maar.

Hoewel atheïstisch en niet belijdend hebben we er de nodige schietgebedjes en weesgegroetjes op losgelaten voor een oplossing om het ontbijt aan te vullen en ons van lunch te voorzien. Weet niet of het door Maria kwam omdat het haar feestdag is maar ineens was daar in Budingen aan de route een Spar Express die open was en voorzien van lekker vers brood. Een mirakel! Je zou er warempel nog in gaan geloven.
Met een aanvulling in de maag en voldoende proviand in de tas trapten wij door. De route van Diest tot aan Tienen trapten we redelijk makkelijk weg. Er was voldoende te zien en het was afwisselend.
Na Tienen belandden wij op de RAVel 2, een fietspad over een oude spoorbedding. Dat is ontzettend makkelijk fietsen want het is geasfalteerd en stijgt niet meer dan 2,5%. Maar het is ook wel een beetje saai om 40 kilometer vooral rechtuit te fietsen zonder bochten. Het fietspad heeft vaak ook begroeiing aan beide kanten, dus er valt niet zo veel te zien. Gelukkig gaat deze Belgische variant wel door dorpen in tegenstelling tot de Franse versie. De moeheid na een korte nacht maakte dat het wegtikken van de kilometers niet zo soepel ging. Inmiddels waren wij ook de taalgrens over gegaan. Dat Geldenaken dan ineens Jodoinge heet landde dan ook niet direct. Enigszins mentaal geëmigreerd trapten wij door, 100.000 kruisingen en dito hekjes passerend. En toen kwam Namen in zicht. Een heerlijke lange afdaling viel ons ten deel. Kijk daar wordt de moeie mens vrolijk van.
‘Elk nadeel heb zijn voordeel’. Zelfs de Walen repareren soms de weg. Een stukje RAVeL was in onderhoud en dat leidt dan tot een ‘deviation’ over weggetjes die ze beter eerst hadden kunnen aanpakken. Maar door deze omleiding kwamen we wel door het meest belangrijke dorp van België.

Namen laat zich niet direct omschrijven als een rijk ogend stadje. Op zoek naar een supermarkt met koude cola werd ik verschillende keren aangeschoten door mannen die geld nodig hadden. Een volle fles Vodka was ook goed. Richting het station zijn nog verschillende pandjes te vinden waar de gevel vanaf de eerste verdieping nog in oorspronkelijke staat is. Veelal uit het Art Nouveau tijdperk. De winkels daaronder zijn al in de jaren 60 of 70 ‘glad’ getrokken. Helaas bedoel ik met originele staat ook dat er sinds de bouw niet of nauwelijks iets is gedaan aan onderhoud. Funda omschrijft dat als ‘Authentiek met vele originele details’, Dan weet je dat je een sloophuis koopt.
Het hotel dat we hebben in Namen is meer een B&B, maar dan zonder de laatste B. Een simpele studentikoze kamer met scheefhangende gordijnen en ramen die niet meer open of dicht gaan. Het kost weinig en je zit midden in het centrum rustig in het achterhuis van een wederom vervallen pand. Dus voor de gemiddelde vakantiefietser een prima plek om te landen als er geen camping voorhanden is.
Omdat er ooit iemand ons aller Maria de hemel in heeft geholpen, is het vandaag een beetje zoeken naar een restaurant. Na onze supermarkt ervaring in Diest waren we hier al een beetje bang voor en waren we voorbereid op een close encounter met de Pizza Hut. Die is er niet gekomen, want er bleek in de puurt nog een ‘Italiaans’ restaurant open te zijn. Of de pizza beter was, weet ik eigenlijk niet, maar het bier was goed.

Apeldoorn – Parijs ~ Etappe 3 (Borkel – Diest) [69km]
In het Diester Begijnhof ontmoette wij de voormalige tandarts van het plaatsje die druk doende was een randje groen tegenover zijn huis te onderhouden. Hij vroeg waar we vandaan kwamen, maar het was hem allang duidelijk dat het om ‘Hollanders’ ging. Ons antwoord was alsof je er een kwartje ingooide. Met passie en plezier begon hij stukken geschiedenis van zijn Diest naar boven te halen. Over het Begijnhof natuurlijk, maar ook over de graanmarkt waar vroeger zijn praktijk had gezeten. Hij bejubelde de Nederlandse kruisheren die zeer lange tijd het plaatsje bedolven hadden onder hun goedaadigheid en hij noemde Philips Willem die hier als lid van de Oranjes begraven ligt. Nadat hij zich voor de vijf of zesde keer verontschuldigd had voor alle informatie die hij over ons uitstortte, namen we afscheid van de gewezen tandarts. Leuke mensen, die Belgen.

Rond een uur of zeven werden we wakker van het geluid van een bezinebrander die overuren stond te maken. Gisteren was er nog een gezin op de fiets op de camping aangekomen en die gingen er blijkbaar vroeg vandoor. Moet ook wel, want ze wilden aanstaande vrijdag in Parijs zijn. Dat is dan even doortrappen. Wij doen het deze vakantie wat rustiger aan en zetten de wekker op half acht. Meestal halen we dat niet aangezien we heel vroeg gaan slapen en Madeleine wakker wordt van de mijn-rug-wil-niet-meer-op-dit-matje-liggen-wekker.
Het ontbijt is wel eens van hogere kwaliteit geweest. Oud brood met voorverpakte kaas, waarbij niet meer duidelijk is of de verpakking er af is of niet en 2 krentenbollen, weggespoeld met oploskoffie die ik nog over had van vorig jaar. Een beter campinggevoel kun je niet krijgen. Nog voor het gezin met de vele kilometers voor de boeg verlieten we de camping. Op weg naar Diest.

Ik weet niet of het fenomeen nog bestaat, maar als de grenspalen challenge nog in leven is, dan heb ik er weer eentje bij.

Nu wordt mij wel eens verweten dat ik sommige verhalen wat aandik. Jort noemt dat ‘piratenverhalen’. Maar de Limburgers aan de andere kant van de grens kunnen er ook wat van. Zo wordt leuk fietsen over een oud spoorlijntje in een keer een ‘Limburgs Fietsparadijs’. Wel deze Adam en Eva vinden spoorlijntjes vrij snel saai en plukken graag hun appeltje langs wat bochtige landweggetjes of in een mooi bos. Gelukkig had Paul Benjaminse goed op tijd door dat hij niet de hele route in een rechte lijn kon laten lopen en sloegen we rechtsaf een kronkelig landweggetje op.

Het landweggetje werd al snel gevolgd door een bos. Maar zoals zoveel donkere bossen, is dit bos niet zonder gevaar. Als je het fietspad verlaat, kan er op je gejaagd worden. Een snelle plaspauze kan zo catastrofale gevolgen hebben.

Bij Beringen rijden we langs het Mijnmuseum. Leuk en interessant om te bekijken, maar een beetje te veel en te groot om dat op een fietsdag te doen. Dat moet maar een keer als we een lang weekendje Eindhoven doen.

Het is nog relatief vroeg als we het einde van de etappe naderen en we besluiten eerst Diest te veroveren, voordat we onze trekkershut opzoeken. Er is helaas geen camping op befietsbare afstand van Diest maar het Provinciaal Domein verhuurt 2 trekkershutten. Reserveren is in Augustus wel aan te raden.
In Diest gaan we eigenlijk direct voor het Begijnhof. Door Paul Benjaminse beschreven als een van de mooiste en meest authentieke exemplaren van België. En inderdaad, het is een plaatje. Het Begijnhof is wel anders dan die ik ken uit Nederland. Van een hofje mag je hier zeker niet spreken. Met een grote witte kerk in het midden en dan omzoomd met toch wel hoge gebouwen. Een van de gebouwen is uit 1662 en 3 verdiepingen hoog. Dat was in die tijd gewoon een flat.

We gaan straks voor de avondetappe naar de Grote Markt in Diest. Kijken of ik daar het eerste biertje van de vakantie kan scoren.
